Pacht of penningen, die in de Middeleeuwen moest worden opgebracht voor de proostdij van Sint-Pieter in Utrecht.
Dit had te maken met de horigheid van velen in Drenthe aan het kapittel van Sint-Pieter in Utrecht. Die horigheid duurde van 1291 tot 1438. Eens in de vier jaar kwam de proost van het kapittel naar Dingstede (= gerechtsplaats) bij Meppel om er zijn hofgericht, hijensprake of horigensprake te houden. Hij behandelde dan zowel privaat- als publiekrechtelijke zaken zoals toestemming voor huwelijken van de horigen, vaststellen van het recht van herberg, onderlinge hulp bij oogsten, verordeningen in verband met ontginningen, het vaststellen van pachten en het opleggen van boetes. Twee keer per jaar werden vanaf dit punt de kerkelijke belastingen in natura (Sint-Pieterspacht), afkomstig van diverse gebieden in Drenthe, naar Utrecht verscheept. In 1438 werd de horigheid aan Sint Pieter ontbonden.