Armenzorg in de vorm van voedselverstrekking. In Drenthe werd de armenzorg van oudsher verzorgd door de diaconieën (zie: Diaconale zorg) en vanaf de 19e eeuw ook door particuliere instellingen.
Over het algemeen moesten de armen zoveel mogelijk met werken in eigen levensonderhoud voorzien. Alleen wanneer dit onvoldoende was, werd het tekort aangevuld met bedeling. Soms betrof dit het vergoeden van de huishuur, maar vaak ook bedeling in natura, zoals brandstof, kleding en etenswaren. In tijden van bijzondere nood, bijv. in strenge winters, werden in de 18e en 19e eeuw collectes georganiseerd, waarbij geld, kleding, voedsel of brandstof werd opgehaald en vervolgens onder de armen uitgedeeld. In de 18e eeuw gingen deze collectes meestal uit van de diakenen.
In de 19e eeuw en ook nog 20e eeuw ging het ook dikwijls om particuliere initiatieven. Vaak werd er hierbij een tijdelijke commissie ingesteld, zoals in Hoogeveen na de strenge winter van 1829 op 1830. In Hoogeveen kende ook het plaatselijke departement van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in de eerste helft van de 19e eeuw enige tijd een Commissie ter Spijsuitdeling. Meppel kende het rond 1880 opgerichte Genootschap Liefdadigheid Naar Vermogen dat brandstof en warme maaltijden uitdeelde aan verarmde stadgenoten. Voor het uitdelen van maaltijden beschikte het genootschap over een spijslokaal of gaarkeuken. In hetzelfde Meppel werd in 1903 de Vereniging voor Kindervoeding en Kleding opgericht, die kinderen uit behoeftige gezinnen 's winters voorzag in warme maaltijden en schoeisel.
Met de opbouw van de verzorgingstaat, met name na WO II, verdween het verschijnsel voedseluitdeling. Een uitzondering is Hoogeveen, waar in de jaren '50 nog vlees, afkomstig van noodslachtingen, werd gedistribueerd door de Gemeentelijke Dienst voor Sociale Zaken.