Skip to main content

Zeer hevige, enige tijd aanhoudende winden, windkracht 9 (21 m/sec.).

De stormen in het najaar van 1967 en van november 1972 waren interessant voor bodemkundigen in Drenthe. Allereerst was daar de schade aan bomen. Honderden braken als luciferstokjes af, ander werden met wortel en al omgeblazen. Naast het verschil in bomen was aan dit verschil in omwaaien een verschil in bodemopbouw debet. Een (overigens gezonde) boom die afknapte, had een bijzonder goed wortelstel, goed verankerd in de grond. Bomen die met wortel en al omwaaiden hadden niet een zo goed wortelstelsel. Het was of te ondiep als gevolg van chemische remmingen of mechanische weerstand (te zuur, te alkalisch, te hard en dicht) of gebrekkig door luchtgebrek (hoge waterstanden, dichte lemige lagen).

Het verschijnsel van de met wortel en al omgewaaide bomen was aanleiding om nog eens met andere ogen naar een bijzonder microreliëf in de ondergrond van dalgronden te kijken. Geconcludeerd moest worden dat het patroon van kleine 'kuiltjes' en 'kopjes' waar resp. een veenbedekking van 50 cm meer en 50 cm minder voorkwam dan in de directe omgeving, veroorzaakt was door vóór de veenvorming omgewaaide bomen. Ze waren geen slachtoffer van veengroei maar er waarschijnlijk oorzaak er van. Van deze bomen vindt je wel de basten, maar nauwelijks het hout terug. Slachtoffers van veengroei waaien niet met wortel en al om. Ze gaan eerst dood, rotten dan in op de scheiding van water (veen) en lucht. Daarna vallen ze om in het omringende veen. Dergelijke bomen vindt je in hun geheel weer, vlak naast de kienstobben.

Een andere bodemkundige les was dat het feit dat je ouder materiaal, bijv. keileem, kon vinden op jonger (bijv. dekzand), en ouder archeologica boven jongere door omgewaaide bomen kon zijn veroorzaakt. Een volgend les was dat bosbouwers met deze gegevens in het achterhoofd terdege de bodem-gesteldheid dienen te kennen en rekening moeten houden met het toelaatbare assortiment plantsoen alvorens tot aanplant over te gaan. [Booij]