Strijd van levensbeschouwelijke groeperingen om het karakter van de openbare lagere school en, vanaf 1857, om de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs.
De eerste fase van het conflict, tot 1857, draaide om het karakter van de openbare school. De liberale overheid creëerde met de Lager-Onderwijswet van 1806 een openbare lagere school die, gebaseerd op het nieuwe Verlichtingsdenken, moest opleiden tot algemeen christelijke en maatschappelijke deugden. Deze school, door de overheid gesticht en bekostigd, was toegankelijk voor kinderen van alle levensbeschouwelijke richtingen. Het verbreken van de nauwe relatie tussen kerk en staat in 1796 betekende dus ook het einde van de school waar de leerstellig gereformeerde christelijke beginselen werden geleerd. Het geven van godsdienstonderwijs werd aan de kerken overgelaten. Voor de katholieken en de joden in Drenthe was er tot 1860 geen sprake van dat er problemen kwamen met de protestants lagere school. Het aantal katholieken was gering. Voor de Duitse katholieke immigranten kwamen erin de jaren '20 wel drie winterbijscholen tot stand met een katholieke onderwijzer, in Nieuw-Schoonebeek, in De Materen en in Zandberg, maar daar bleef het bij.
Onder het Koninklijk Besluit van 1817, dat joden toestand eigen scholen in stand te houden, die ook door de overheid werden gesubsidieerd, kwamen er gecombineerde joodse godsdienstig-maatschappelijke scholen tot stand in Meppel, Assen, Hoogeveen, Coevorden en Smilde. Al met al had de schoolstrijd voor de katholieken en joden in Drenthe een minder grote omvang dan op andere plaatsen in ons land. Anders was dat voor de orthodox-protestanten, die in Drenthe getalsmatig een groter deel van de bevolking uitmaakten. Dit kwam met name scherp aan het licht nadat ds. Hendrik de Cock zich in 1834 met een aantal volgelingen afscheidde van de Hervormde Kerk en een terugkeer naar de school van voor 1800, waar onderwijs in de calvinistische dogmatiek werd gegeven, predikte. Op diverse plaatsen in Drenthe probeerden Afgescheidenen eigen scholen op leerstellig gereformeerde grondslag te stichten. De onderwijzer Douwe van der Werp opende in november 1834 een school in Smilde. De afgescheidene J.R. Kamer begon in Weerwille zijn huis in 1837 met lesgeven. In Meppel startte H.A. de Vos een school voor kinderen van Afgescheidenen in 1839. Andere plaatsen waar schooltjes werden geopend waren Beilen, Zuidwolde, Hoogeveen, Nijeveen en Dwingeloo.
Oprichting van scholen voor andersdenkenden was alleen mogelijk na toestemming van de overheid. De Drentse provinciale en lokale overheden volgden het officiële liberale overheidsstandpunt en gingen er toe over de schoolmeesters die in hun ogen onder de wet van 1806 clandestien en onwettig onderwijs gaven juridisch te vervolgen. De Afgescheiden schoolmeesters werden, na een proces voor de kantonrechter, in de meeste gevallen veroordeeld tot een geldboete en een verbod om nog langer les te geven. Het succesvolle vervolgingsbeleid van de Drentse autoriteiten had tot gevolg dat tegen het midden van de 19e eeuw in deze provincie het aantal scholen van Afgescheiden sterk was afgenomen.
Een nieuwe fase in de schoolstrijd werd ingeluid toen de Lager-Onderwijswet van de anti-revolutionaire J.J.L. van der Brugghen in 1857 het principe van de vrijheid van onderwijs uit de Grondwet van 1848 uitwerkte. De wet opende de mogelijkheid om zonder toestemming van de overheid eigen bijzondere scholen te stichten. De oprichters van bijzondere scholen moesten deze echter zelf bekostigen. De bijzondere scholen kwamen in de problemen toen de Lager-Onderwijswet van 1878 van minister J. Kappeyne van de Coppello in het streven naar kwaliteitsverbetering hogere eisen ging stellen aan zowel de openbare als aan de bijzon-dere scholen. De bijzondere scholen konden de hogere kosten die dit met zich meebracht niet opbrengen. De wet van 1878 versterkte dan ook de moeilijk concurrentiepositie van de bijzondere scholen, die ook onder deze wet niet werden gesubsidieerd, ten opzichte van de openbare scholen, die wel door de overheid werden gesubsidieerd. De schoolstrijd ging zich nu concentreren op het streven naar financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Deze strijd werd in Drenthe onder meer uitgevochten in de Provinciale Drentsche en Asser Courant, waarvan de liberaal J.A. Willinge Gratama redacteur was. Kritiek van confessionele zijde op de nieuwe wet werd afgewezen en vastgesteld werd dat overheidssubsidiëring van het bijzonder onderwijs het einde van de staat zou betekenen. Hoewel de liberale visie de boventoon voerde, kwamen ook voorstanders van bijzonder onderwijs aan het woord. In ingezonden stukken vroegen zij begrip voor het recht op overheidssubsidiëring van godsdienstig onderwijs, omdat zij immers als belastingbetaler ook meebetaalden aan het openbaar onderwijs.
Het ontbreken van financiële overheidssteun weerspiegelde zich in de ontwikkeling van het bijzonder onderwijs in Drenthe. Het aantal bijzondere scholen daalde aanvankelijk. Ondanks de onderwijsvrijheid telde deze provincie volgens een verslag van Gedeputeerde Staten in 1859 slechts veertien bijzondere niet-gesubsidieerde lagere scholen. In 1889 waren er nog slechts acht bijzondere scholen, verspreid over de gemeenten Assen, Smilde, Emmen, Hoogeveen (twee), Meppel, Nijeveen, Ruinerwold. Een eerste stap in de richting van financiële gelijkstelling vormde de Lager-Onderwijswet van 1889 waarin het Rijk subsidie zou gaan verstrekken aan bijzondere scholen met betrekking tot de salariëring van onderwijzers. De overheidssteun leidde tot een lichte groei in het bijzonder onderwijs in Drenthe.
Tussen 1889 en 1900 steeg het aantal bijzondere scholen van acht naar dertien; dit was ruim 7% van het totaal aantal Drentse lagere scholen. Een verdere erkenning van de kwaliteit van het bijzonder onderwijs bevatte de leerplichtwet van 1900, waarin de bepaling was opgenomen dat ook kinderen die een bijzondere school bezochten voldeden aan de leerplicht. Bovendien werden de rijkssubsidies aan bijzondere scholen verhoogd. Onder de daaropvolgende kabinetten - Kuyper en Heemskerk jr. - werd een verdere uitbreiding van de subsidiëring gerealiseerd. Dit leidde tot een sterke groei in het bijzonder onderwijs in Drenthe. Het aantal scholen groeide van 13 in 1900 naar 26 in 1905. In 1910 telde de provincie 37 bijzondere scholen en in 1915 bedroeg dat aantal 51. Daaronder waren slechts drie scholen rooms-katholiek, alle overige scholen waren protestants-christelijk van karakter.
Uiteindelijk bracht de Grondwet van 1917 de volledige finan-ciële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder lager onderwijs. Dit werd uitgewerkt in de Lager-Onderwijswet van 1920, waarmee een einde kwam aan de schoolstrijd. In dat jaar telde Drenthe 65 bijzondere lagere scholen; dit was 25% van het totaal aantal lagere scholen. Bezocht in 1900 nog slechts 9% van alle Drentse kinderen een lagere school voor bijzonder onderwijs, in 1920 bedroeg dit percentage 25.
