Skip to main content

Omhoogkomen door bevriezing van de ondergrond.

In Drenthe is het 's winters kouder en natter dan gemiddeld in ons land (zie: Klimaat). Het gevolg is dat, wanneer niet voordien een isolerende sneeuwlaag is gevallen (dus bij kale vorst) hier de grond vaker en dieper bevriest. Omdat ijs meer volume inneemt dan water kan bij natte (bovengronden) de grond uitzetten. Als er geen holle ruimtes (luchtgevulde poriën, scheuren e.d.) zijn waar het uitzettende water een plaats kan vinden is er maar één richting, n.l. naar boven. Daarbij wordt de bovengrond, met alles wat er op, in en aan vast zit, opgelicht. Dit verschijnsel wordt opvriezen genoemd.

Het meest extreme voorbeeld van opvriezen zijn de vorstheuvels of pingo's (zie: Pingoruïnes), het meest bekende dat van de opgevroren wegen; die worden zelfs aangeduid met borden 'afgesloten wegens opvriezing'. Lemig dekzand vriest in een kaal wintertje gauw een cm of 8 op. Veen(boven)gronden kunnen 's winters wel 20 cm hoger liggen dan in de zomer. Dit laatste ligt niet alleen aan het opvriezen maar ook aan het feit dat het veen 's winters natter is dan 's zomers en als gevolg van de reservibele eigenschap uitzet (zie: Veensoorten).

Het opvriezen heeft enkele negatieve effecten. Bij grasland kan door opvriezen de zode los komen te liggen omdat ze na het dooien niet weer meezakt naar beneden. De graswortels verliezen dan het contact met de ondergrond en het weiland verdroogt. Dat is vooral het geval op veengronden. Ook bij wintergranen die nog in het jeugdstadium verkeren kunnen de wortels het contact met de grond verliezen. Door middel van rollen (het aandrukken van de grond) wordt in het voorjaar het contact tussen wortels en grond weer hersteld.

Bij bouwland, speciaal bij bouwland met een 'lichte' bouwvoor zoals pufferig veen en leemarm zand, kan een dun laagje bouwvoor door opvriezen in een fatale stuifconditie komen te liggen (zie: Verstuiving). Niet zelden is opvriezen een aanzet tot het verstuiven van grond. Met het opvriezen wordt ook alles wat aan en in het bevroren gedeelte zit opgelicht. Bij ontdooien gaat het echter niet allemaal gelijk weer naar beneden. Onder invloed van dooiwater zullen zandkorrels eerder naar beneden zakken dan grotere delen. Ze kunnen dan de ruimte onder die grote delen opvullen voordat deze zelf weer op hun oude plaats zijn gezakt. Het gevolg daarvan is bijv. dat op vochtige en natte gronden na dat opvriezen rasterpalen los staan en grondwater(stands)buizen wel 10 cm centimeter hoger boven het maaiveld uitsteken dan ze voor de winter deden. Praktisch alle boeren op gronden met ondiep keileem, en op veengronden met stobben in de ondergrond, kennen het probleem van 'naar boven groeiende stenen' en 'naar boven groeiende stobben'. Bij de stenen moet het geheel, en bij de stobben voor een groot deel aan opvriezen worden toegeschreven. Ook deze obstakels komen daarna niet weer op hun oorspronkelijk plek terecht. Onvoldoend diep gefundeerde gebouwen kunnen in hun geheel opvriezen. Daar waar dat onregelmatig gebeurt, kunnen scheuren ontstaan. Velen kennen het verschijnsel omdat sommige buitendeuren in de winter niet open te krijgen zijn.

Het stukvriezen van de structuren in veen dat nog tot turf vergraven moet worden, kan gebeuren als er al te veel gebonkt (zie: Bonken) is voor de winter. Opvriezen heeft een positieve werking bij het stuk vriezen van te dichte en stugge kluiten en grondlagen. Het op wintervoor ploegen van klei- en leemgronden en lemige zandgronden heeft daar mee te maken. Door het opvriezen wordt de grond in het voorjaar gemakkelijker bewerkbaar en is een mooier kruimelig zaaibed te maken. De beworteling van de jonge planten kan veel makkelijker uniform plaats vinden. Een bijkomend voordeel is ook dat bij de oogst achtergebleven, of in natte jaren in het geheel niet geoogste aardappelen en bieten stuk vriezen en het daarop volgende jaar niet als onkruid/opslag gaan fungeren. De bereiding van tuinturf, alhoewel niet alleen een bevriezings- maar ook een ontdooiïngsproces, kan ook onder de gunstige gevolgen van opvriezen gerekend worden. [Booij]