Ook wel: Fries Melkschaap
Schapenras dat voornamelijk werd gehouden om de melk. Het waren grote, dieren met een smalle, wigvormige romp, fijne poten en een grote uier. Ze waren weinig bevleesd, maar droegen wol van goede kwaliteit. Rammen en ooien waren ongehoornd.
Al aan het begin van de 19e eeuw werden in de meer grasrijke gemeenten langs de randen van het Drents plateau veel Friese melkschapen gehouden. Hun aantallen namen vooral vanaf het midden van de jaren '70 van de 19e eeuw snel toe. Bij de landbouwtelling van 1910 telde men in de provincie naast een aantal van 58.700 (oudere) heideschapen 9142 'andere schapen' ofwel melkschapen (ouder dan een jaar). Veruit de meeste melkschapen werden toen geteld in de gemeenten Roden en Eelde, in het noorden van de provincie, en in Vledder en Diever in het zuidwesten.
Het Friese melkschaap dat gewoonlijk tezamen met het rundvee werd geweid, was aanmerkelijk vruchtbaarder dan het Drentse heideschaap. Al in de 18e eeuw merkte men op dat ze twee á drie, soms wel vier lammeren voortbrachten; al werd daaraan toegevoegd dat het derde en vierde lam vaak zwak van gestel waren. De dieren gaven veel melk - zij het natuurlijk minder dan een rund - met een hoog vetgehalte. Dit maakte het melkschaap naast de geit bij uitstek tot melkkoe van de kleine man. Hoewel hun aantallen in de loop van de 20e eeuw afnamen, is er sinds de jaren '70 weer sprake van een vernieuwde belangstelling voor het melkschaap.