Subsidiemaatregel, in 1926 ingevoerd door minister van Binnenlandse Zaken J.B. Kan om de in crisis verkerende veenindustrie te hulp te schieten.
Na WO I was de afzet van turf in elkaar gestort. Dit werd vooral veroorzaakt doordat de industrie steeds massaler haar machines stookte op steenkool. Dat kostte relatief minder. Door de aanleg van een uitgebreid spoorwegennet - met steun van de overheid - konden de Limburgse steenkolen vrij eenvoudig over het hele land worden verspreid. De door particuliere verveners aangelegde kanalen en sluizen waar turfschippers voor de doorvaart moesten betalen, leverde nauwelijks nog hun investering op. Minister Kan besloot daarom aan fabrikanten die hun turfovens niet zouden vervangen een kwartje per afgenomen ton turf als subsidie te geven. Met name steenfabrieken, kartonfabrieken en de noordelijke glasindustrie maakten van deze regeling gebruik.