Organisatie, opgericht in 1979 met als doel het terugdringen van de hoge mate van onnatuurlijkheid in de Nederlandse bossen en het bevorderen van een inheems karakter, waarbij het menselijk ingrijpen uiteindelijk zoveel mogelijk achterwege wordt gelaten.
Het denken over een meer natuurlijk bosbeheer heeft vanaf 1977 een sterke ontwikkeling doorgemaakt. Dit is vooral te danken geweest aan de eerste controversiële bosbeheerexperimenten die door de toenmalige landelijke werkgroep Kritisch Bosbeheer (vanaf 1980 Stichting Kritisch Bosbeheer, Dieren) in 1978 en 1979 werden geïnitieerd en vanaf 1979 door de Stichting Vrijwillig Bosbeheer (SVB N-N) werden voortgezet. Deze experimenten vonden voornamelijk plaats in Drenthe. Doel van deze experimenten was het verhogen van de natuurlijke waarden van de betreffende bossen door ontwikkelingen op gang te brengen die leiden tot een natuurlijk bos. De toegepaste nieuwe natuurtechnische maatregelen als het omtrekken van grote dikke bomen, ringen van bomen, stapelen van grote massa's takken en stammen tot 'dode woudreuzen', het maken van vele kleinschalige open plekken van 1 tot 3 keer de boomhoogte en de zogenaamde onregelmatige dunning werden gezien als vernielzucht.
Er ontstond onrust onder burgers en deskundige bosbouwers. Dit leidde tot publicaties in kranten en tijdschriften en de Drentse experimenten kregen landelijke bekendheid. De Stichting kon echter door inventarisaties en monitoring door enthousiaste vrijwilligers aantonen dat de biologische variatie per direct en duurzaam toenam. De ideeën werden begin jaren '80 door de eerste voorlopende natuurbeschermingsorganisaties overgenomen. Sinds 1984 konden boseigenaren c.q. -beheerders ook overheidssubsidies krijgen voor natuurtechnische beheersmaatregelen, zoals de SVB die toepast. In 1982 verscheen het evaluatierapport 'Vijf jaar vrijwillig natuurtechnisch bosbeheer'. Een verslag van de voorgeschiedenis, visies, werkzaamheden en toekomstplannen van de SVB N-N over de periode 1978-1983.