Begrip

Zuidoost-Drentse venen

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

M.A.W. Gerding

Omstreeks 1850 was Zuidoost-Drenthe het enige gebied waar in Nederland nog grote hoogveencomplexen onaangeroerd aanwezig waren. Het veen hier vormde de zuidelijke uitloper van het Bourtangerveen. In het noorden werd het gebied begrensd door het Convenantsgebied, dat wil zeggen de negen Drentse veenmarken ten oosten van de Hondsrug, waarvan de veenmarke van Valthe de meest zuidelijke was. Ten zuiden hiervan lag het veengebied van Weerdinge dat niet behoorde tot de marken die in 1817 het Convenant met de stad Groningen hadden gesloten over de aansluiting van hun veen-gebieden op het Stadskanaal.

Aan de Groningse zijde grensde Zuidoost-Drenthe aan het grondgebied van Ter Apel. De oostgrens werd gevormd door een in 1824 door het veen getrokken kunstmatige staatsgrens tussen Duitsland en Nederland. Het veen strekte zich aan weerszijden van deze grens over een grote oppervlakte uit. Aan de zuidzijde van het veengebied vormde het Schoonebekerdiep met het aangrenzende groenland de grens. De westelijke grens werd gevormd door het Drostendiep en de Slenerstroom met zijn bovenlopen. In totaal ging het om een veencomplex van ca. 30.000 ha.

Kanalen

De ontsluiting van het veengebied vond plaats vanuit drie, later vier richtingen. Het meest direct was de ontsluiting vanuit het noorden, vanuit het Stadskanaal in 1872. Vanuit het noordwesten werd het Zuidoost-Drentse veen ontsloten door het Oranjekanaal. Belangrijker was de aanleg van de Verlengde Hoogeveensche Vaart. In 1860 bereikte deze de meest westelijk gelegen Barger-venen en in datzelfde jaar kon reeds de eerste (splitting) turf worden afgevoerd. In de jaren daarna werd de vaart geregeld in oostelijke richting verlengd en werd er, naast de gebruikelijke hoofd- en dwarswijken, in zuidelijke richting de Zijtak gegraven en dwars daarop het Dommerskanaal waardoor het Amsterdamscheveld ontsloten werd. In 1889 kwam de verbinding tussen Oranjekanaal en Hoogeveensche Vaart tot stand. De Verlengde Hoogeveensche Vaart bereikte in 1893 de grens met Duitsland en in 1898 werd er een verbinding met het Duitse kanalenstelsel gerealiseerd. Vanuit het zuiden werd in 1884 het Stieltjeskanaal tussen Coevorden en Nieuw-Amsterdam in gebruik genomen. De hoofdinfrastructuur in Zuidoost-Drenthe werd vervolmaakt toen in 1906 een verbinding tot stand kwam tussen de Hoogeveensche Vaart en het Stadskanaal door de voltooiing van het Scholtenskanaal, dat bij Emmer-Compascuum in het Stads-Compascuum kanaal uitmondde en in Klazienaveen in de Verlengde Hoogeveensche Vaart. In 1921 ten slotte zou verder oostelijk nog een dergelijke verbinding tot stand komen met de aanleg van het Barger-Compascuum kanaal.

Veengebieden 

 Het veen in de gemeente Emmen behoorde oorspronkelijk in hoofdzaak toe aan de boeren die in de esdorpen op de Hondsrug woonden: Weerdinge; Emmen en Westenesch, Noord-Barge en Zuid-Barge. Daarnaast beschikten de boeren in de randveenontginningen Roswinkel en Schoonebeek over veen in de opstrek van hun landerijen. Van noord naar zuid kunnen de volgende veengebieden onderscheiden worden die geografisch, organisatorisch of bedrijfseconomisch een zekere eenheid vormden.

Het meest noordelijk lag Nieuw-Weerdinge, een gebied van bijna 1400 ha dat tot ontwikkeling is gebracht na 1872 en vooral na 1880 toen het veenschap Weerdinge opgericht werd dat in 1884 vervangen werd door het waterschap Weerdinge. In het Weerdingerveen waren vele kleinere verveners actief. Ten zuidwesten van de oude randveenontginning Roswinkel lag het Roswinkelerveen. De opstrek van de boerderijen had zich in hoofdzaak in noordoostelijke richting voorgedaan, zodat het veendek daar nagenoeg verdwenen was. Zuidwestelijk van de bewoningsas was het veen nog wel aanwezig. In 1906 werd een veenschap opgericht van 1258 ha. In 1950 vond hier nog turfwinning plaats.

Emmer-Compascuum en het ten zuiden daarvan gelegen Barger-Compascuum ontlenen hun naam aan de het gebruik als gemeenschappelijke weide door Nederlandse en Duitse boeren Aanvankelijk waren het vooral min of meer wilde vestigingen van Duitse boekweitboertjes die aan de verveningsgolf vooraf gingen. De naam Munsterscheveld wijst daar op. In 1874 werd de naamloze vennootschap Het Emmer-Compascuum opgericht met 300 aandelen van 1000 gulden. Er waren bij de oprichting twaalf aandeelhouders betrokken, van wie de belangrijkste waren: W.A. Scholten, jhr. A.W. Westra van Holthe en mevrouw S.L. van Holthe, de verveners Johan van der Tuuk, H.F. Gosselaar en H. Bosscher. Het ging om een oppervlakte van 756 ha. Het veen werd verdeeld in 85 plaatsen. Tot aan de liquidatie van de N.V. in 1917 werd in totaal  f 865.644,- aan dividend uitbetaald. Het veen van Emmer-Compascuum was van goede en vaak van beste kwaliteit. Er werd vooral baggerturf gewonnen, fabrieksturf kwam weinig voor. De veendikte bedroeg minimaal 12 klem, dat wil zeggen twaalf lagen turf boven elkaar, maar dikkere lagen van 15 of 18 klem kwamen ook geregeld voor. In 1907 beëindigde de maatschappij een groot deel van zijn actieve bemoeienis. De venen waren verkocht, terwijl de maatschappij nog 110 hemen bezat, die in de jaren daarna werden afgestoten. Het Waterschap Emmer-Compascuum dat in 1908 werd gevormd trad in de plaats van de N.V. en nam de werken over.

Ten westen van het Emmer-Compascuum, aan de overzijde van de Runde, lag het Emmer-Erfscheidenveen. Dit behoorde toe aan de markegenoten van Emmen en Westenesch die in 1885 de Maatschap het Emmer-Erfscheidenveen oprichtten. Pas in 1898 werd een vergunning tot de vervening door gedeputeerde staten verleend. In 1903 gingen de rechten van de maatschap over aan het veenschap Het Emmer-Erfscheidenveen. Het veenschap was 1.642 ha. groot. Het Barger-Compascuum, gelegen ten oosten van de Runde en ten zuiden van het Emmer-Compascuum, was ca. 1.700 ha groot. In 1860 werd dit in zijn geheel door mr. Cornelis Hiddingh, advocaat te Assen, van de Barger boeren gekocht. Hiddingh handelde mede op last van H.F. Gosselaar, Lucas Oldenhuis Tonckens, burgemeester van Emmen, en Anne Willem van Holthe tot Echten. Er woonden toen reeds kolonisten in het gebied, vooral uit Duitsland afkomstige boekweitboertjes, die hun akkers huurden van de markegenoten. Na problemen over de weiderechten werd in 1864 ca. 450 ha van het compascuum aan de Duitsers afgestaan. In 1866 gingen de eigenaren over tot deling van hun bezit. In 1891 werd het waterschap Barger-Compascuum gevormd, 1320 ha groot. Een concessie voor vervening was toen nog niet aangevraagd.

Ten westen van dit Barger-Compascuum en ten zuiden van het Emmer-Erfscheidenveen lag het Smeulveen, 972 ha groot en in 1874 in zijn geheel gekocht door W.A. Scholten van de Drentsche Veen en Midden Kanaal Maatschappij. Het Smeulveen werd aan de westzijde begrensd door de oostelijke uitloper van de Hondsrug, waarop zich in de negentiende eeuw een aantal van de boekweitboeren vestigde. Hierdoor ontstonden de dorpen Nieuw-Dordrecht en Vastenouw.

Ten zuiden van het Smeulveen lag het Barger-Oosterveen, een 3.750 ha groot veengebied. In 1868 werd voor dit deel van de marke van Noord- en Zuid-Barge een indeling en een plan van aanleg vastgesteld. Het werd daarbij in 13 blokken verdeeld en in 471 percelen.

Ten zuiden van het dorp Emmen splitste de Hondsrug zich in twee ruggen die geleidelijk afhelden en ongeveer ter hoogte van de latere Verlengde Hoogeveensche Vaart onder het veen verdwenen. Ten oosten van deze ruggen lag het Barger-Oosterveen, ten westen het Barger-Westerveen en het Barger-Erfscheidenveen. Verder naar het zuiden, waar de zandruggen onder het veendek verdwenen, gingen het Ooster- en het Westerveen in elkaar over. De scheiding lag ongeveer bij het dorp Erica. Tussen de twee zandruggen in lag het ca. 500 ha grote Oosterveen dat door de Drentsche Veen en Midden Kanaal Maatschappij aangekocht was. Het Barger-Westerveen werd in 1861 gescheiden, op een moment dat de Hoogeveensche Vaart de Barger-venen bereikt had. Het betrof 2868 ha. Het Barger-Westerveen was het eerste veencomplex in de gemeente dat verveend werd. Sinds 1860 werd het aan snee gebracht, ruim tien jaar eerder dan elders in de gemeente.

Het laatste veengebied binnen de gemeente Emmen is het Amsterdamscheveld, een strook veen van 2.256 ha, zich uitstrekkend langs de gehele zuidgrens van de gemeente Emmen, van de grens met Sleen in het westen tot aan de grens met het koninkrijk Hannover in het oosten. Aan de zuidzijde lagen de Schoonebeker venen. Het ging om een strook veen van 1.800 m breed en 12,5 km lang. Koper was de in Amsterdam gevestigde Drentsche Landontginning Maatschappij, opgezet door zes Amsterdamse ondernemers die tevens aandeelhouder waren van de Drentsche Kanaal Maatschappij. De administratie en het beheer werd in handen gelegd van B. Dommers en later van diens zoon L.B.J. Dommers. Deze was tevens de eerste burgemeester van de in 1884 gevormde gemeente Schoonebeek. De maatschappij werd in 1909 overgenomen door The Griendtsveen Moss Litter Company Ltd., welke later werd omgezet in de N.V.  Griendtsveen Turfstrooisel Maatschappij.

De systematische vervening bleef in het Schoonebekerveen en -veld, dat ca. 3000 ha omvatte, tussen 1850 en 1950 beperkt van omvang. Zelfs in het veenschap Het Oud-Schoonebekerveen dat tijdens de hoogconjunctuur van WO I was ontstaan, werd slechts turf gestoken voor eigen gebruik. Wel vestigden zich in de eerste decennia van de 20e eeuw in het noorden van de gemeente, tegen het Amsterdamscheveld aan, veenarbeidersgezinnen die in het Emmer veen werk vonden. Hieruit ontstond later het dorp Weiteveen, mede door de impuls die uitging van de vestiging van een nonnenklooster aldaar. Een van de wienige bedrijven die op systematische wijze actief waren in het Schoonbekerveen was de turfstrooiselfabriek van de in Erica woonachtige vervener A.Veldkamp.

Verveners

In Zuidoost-Drenthe waren veel verschillende soorten verveners actief, van eenmansbedrijfjes tot grote maatschappijen. Sommige van deze maatschappijen lieten zich actief in met de turfwinning, andere traden alleen op als beheersmaatschappijen. Bovendien was er dan nog verschil tussen bedrijven die zich niet, of slechts in beperkte mate met de turfindustrie bezighielden en bedrijven die hierin hun hoofdactiviteit zagen, zoals de N.V. Griendtsveen Turfstrooiselmaatschappij, de N.V. Oud-Schoonbeeker Turfstrooiselfabriek en Veenderij A. Veldkamp en de Purit. De N.V. Maatschappij Klazienaveen v/h firma W.A. Scholten liet zich met alle terreinen van het veenderijbedrijf in. Zowel de turfwinning en allerlei vormen van turfindustrie als de dalgrondontginning speelden binnen het bedrijf een rol.

In het Weerdingerveen en het Roswinkelerveen was het van begin af aan een veenschap dat voor de gang van zaken zorg droeg. De eigenlijke turfwinning was hier in handen van vele kleine verveners. Over de gehele gemeente gerekend was de verhouding in 1937 52% grote verveners en 48 procent kleine. In de jaren voor WO I nam het aantal veenderijen sterk toe: van 196 in 1912 tot 243 in 1913 tot 281 in 1914. Dit betekent niet dat de eigendom ook versnipperde. Dit bleef voor een belangrijk deel in handen van maatschappijen en elders gevestigde particulieren. Daardoor miste de gemeente belangrijke belastinginkomsten, terwijl er door de voortdurende stroom veenarbeiders, die zelf te weinig belasting opbrachten, wel steeds meer behoefte aan voorzieningen ontstond. De in de verveningen verdiende kapitalen vloeiden dus voor een belangrijk deel naar elders, terwijl de problemen op de gemeente werden afgewenteld. Met dit absenteïsme hing het verschijnsel van de veenverhuringen samen. Aan het eind van de 19e eeuw gingen verveners er steeds meer toe over hun veenplaatsen te verhuren in plaats van zelf de turfwinning ter hand te nemen. Op die manier werden de bedrijfs- en marktrisico's op de huurders afgeschoven. Voor de veenarbeiders stond daartegenover dat zij op die manier vrijheid en onafhankelijk konden verwerven, tenminste als de zaken goed gingen en men geen tegenslagen te verwerken kreeg. De verhuringen vonden bij opbod of bij inschrijving plaats en werden via de kranten aangekondigd. De veenhuringen werkten de opkomst van de kleinere vervener-winkelier in de hand. Deze huurde van een veeneigenaar meerdere veenplaatsen of putten en schakelde voor het werk veenarbeiders(families) in. Door deze tevens winkeldwang op te leggen hoefde hij zijn arbeiders tijdens het seizoen geen geld uit te betalen en kon hij bovendien extra inkomsten behalen uit zijn winkel.

Turfproductie

 De turfwinning in Zuidoost-Drenthe is pas na 1860 op gang gekomen. Pas tussen ca. 1900 en 1910 was het gehele Emmer veengebied aan snee. In de jaren 1870 en 1880 bedroeg de productie tussen de 10.000 en 20.000 dagwerken per jaar. In de jaren 1890 verdubbelde de productie zich naar een niveau van ongeveer 40.000 dagwerk per jaar. Na 1905 steeg de productie naar 80.000 en 100.000 dagwerk per jaar, een hoeveelheid die verre uitsteeg boven ieder ander noordelijk verveningsgebied in het verleden. Ondanks het toenemend gebruik van steenkool was de groei in de vraag naar energie aan het eind van de negentiende en het begin van de 20e eeuw zo groot, dat turf daarvan nog flink kon profiteren. Vooral tijdens de laatste jaren van WO I werd de productie tot grote hoogte opgestuwd. De absolute top in 1920 van bijna 120.000 dagwerk was een gevolg van de neiging van iedereen in het veenderijbedrijf om nog één keer te profiteren van de gunstige omstandigheden.

Na 1920 stortte de turfmarkt vrijwel volledig in, met als gevolg dat in Zuidoost-Drenthe een noodsituatie ontstond die door middel van hulpacties, werkverschaffing en emigraties enigszins gepoogd werd te lenigen. De positie van de turf werd nu volledig bepaald door de ontwikkelingen op de steenkolenmarkt. In 1926 kwam er een steunregeling voor de fabrieksturf tot stand van ?0,25 per m3 turf plus een halve cent per m3 voor het vervoer. Deze subsidie was bedoeld als eenmalige maatregel, maar bleef tussen 1927 en 1930 bestaan op lager niveau: vijf cent per m3. Mede daardoor krabbelde de productie enigszins op. Het uitbreken van de wereldcrisis in 1929 betekende een nieuwe klap voor het veenderijbedrijf, wederom een afgeleide van de problemen in de steenkolennijverheid. De turfproductie zakte diep weg. In 1933 werd het als crisisproduct aangemerkt en onder de Landbouwcrisiswet gebracht. De steun gold tot WO II en heeft gezorgd voor een zeker herstel en stabilisatie van de turfproductie.

Tijdens de oorlog bleef de productie redelijk op peil, althans de officieel geregistreerde. Vooral de vraag naar huisbrandturf groeide en maakte een distributieregeling noodzakelijk. In de loop van oorlog ondervond het turfvervoer steeds meer problemen. In de eerste jaren na de oorlog bleef er een zekere behoefte aan turf, vooral in verband met de krappe brandstoffenpositie in het algemeen. In 1949 begon de afzet echter sterk te stagneren en, mede omdat het Ministerie van Economische Zaken met ingang van 1950 zijn steun aan de turf introk, was het sindsdien met de turf als brandstof, buiten het beperkte gebruik in de productieregio zelf, zo goed als gedaan. [M.A.W. Gerding]

Literatuur