Begrip
Alle rechten voorbehouden

Waterbeheer

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Vegter

Beheer van het grond- en oppervlaktewatersysteem.

Gericht op het hebben van voldoende water van goede kwaliteit. Kan verschillen voor de diverse (ruimtelijke) functies. Zo stellen wateren met een zwemwaterfunctie hogere eisen aan de waterkwaliteit dan een gemiddeld kanaal. In het landelijk gebied stelt de functie natuur (met hoge grondwaterstanden en goede kwaliteit) andere eisen aan het waterbeheer dan de functie landbouw (lage grondwaterstanden, minder stringente kwaliteitseisen).

Tegenwoordig richt het waterbeheer zich zowel op kwaliteit als kwantiteit, dit is integraal waterbeheer. Bij waterbeheer wordt gewerkt met de volgende begrippen:

- Afvoerkarakteristiek: Betreft de mate van afvoer gezien in de tijd. Het achter elkaar zetten van de dagafvoeren (in kubieke meters per seconde) gedurende een heel jaar geeft de afvoerkarakteristiek van dat jaar voor een waterloop. Een dergelijke afvoerkarakteristiek voor een beek laat zien dat in de winter er hoge afvoeren zijn en in de zomer relatief lage afvoeren. Ook het optreden van kortstondige hevige buien is vaak goed terug te zien in een afvoerkarakteristiek. De afvoerkarakteristiek van het Drents plateau is begin jaren zestig sterk veranderd. De relatief langzame, gelijkmatige afvoer veranderde in een veel sterker wisselende afvoer als gevolg van de intensivering van het landbouwkundig grondgebruik en de daarvoor benodigde ontwatering.

- Berging: Het tijdelijk opslaan van water in daarvoor ingerichte gebieden. Bedoeld om in perioden met extreme wateroverlast er voor te zorgen dat stedelijk gebied en gebieden met een hoge economische waarde (bedrijventerreinen) niet onder water lopen. Term die sinds de wateroverlast van 1998 ook in Drenthe opgeld doet toen onder meer rond Coevorden veel gebieden onder water kwamen te staan of dreigden onder te lopen. In de eerste helft van de 20e eeuw liepen de beekdalen in de winter gedurende langere perioden onder water (inundatie). In feite fungeerden de Drentse beekdalen als natuurlijke bergingsgebieden. Tegenwoordig wordt gezocht naar gebieden die (soms opnieuw) als bergingsgebied kunnen fungeren. In Drenthe worden onder meer delen van het Hunzedal als bergingsgebied ingericht. Hierbij wordt berging gekoppeld aan natuurontwikkeling.

- Inundatie: Het overstromen van gebieden in perioden van hoge neerslaghoeveelheden. Betreft meest de winterperiode. Inundatiegebieden zijn overwegend laag gelegen delen van beekdalen en de rondom het Drents plateau gelegen laagveengebieden. Tegenwoordig komen deze gebieden nog voor in de benedenlopen van het Reestdal (nabij Meppel) en het Drentsche Aa-gebied (Kappersbult nabij de Punt). Deze gebieden kennen - voorzover ze ook een natuurfunctie hebben - een aan inundaties aangepaste vegetatie. Het gaat om zeggenrijke moerasvegetaties. Deze soorten zeggen zijn aangepast aan zuurstofloosheid in de wortelzone die optreedt gedurende inundaties. Dit in tegenstelling tot de meeste grassen die langere perioden van inundaties niet doorstaan.

- Kanalisatie: Aanleg van grotere kanalen op het Drents plateau ten einde de toegenomen afvoerpieken als gevolg van de ontginning van hoogveen- en heide gebieden te kunnen opvangen. Soms werden bestaande waterlopen vergroot tot kanalen, soms werden nieuwe kanalen gegraven.

- Normalisatie: Het rechttrekken van meanderende (kronkelende) beeklopen. Speelde zich af in de jaren '50 en '60 van de 20e eeuw. Een heel groot deel van de Drentse beken is genormaliseerd waarmee de toegenomen afvoerpieken konden worden opgevangen. Tegelijkertijd werden voor Drenthe zeer karakteristieke landschappelijke waarden en aan de beken gebonden natuurwaarden op grote schaal vernietigd. Tegenwoordig probeert men op sommige plaatsen de normalisatie weer ongedaan te maken door hermeanderingsprojecten uit te voeren. Dit is onder meer gebeurd in de bovenloop van de Vledder Aa, het Oude diep, de Drentsche Aa en de Hunze. Zie ook: Beekherstel.

- Ontwatering: Het verlagen van de grondwaterstand door drainage van percelen. Kan door middel van ontwaterende greppels, sloten en grotere leidingen. Ook het aanleggen van stelsels van drainagebuizen in percelen heeft een ontwaterend effect. Ontwatering is vooral belangrijk voor de landbouw. Voor natuur heeft het vaak negatieve effecten, vooral daar waar natuurgebied en landbouwgebied aan elkaar grenzen. Overigens heeft te sterke ontwatering in sommige gevallen ook negatieve effecten voor de landbouw omdat bij weinig neerslag droogteschade aan gewassen op kan treden.

- Ruimte voor water: Sinds de wateroverlast van 1998 gehanteerde term in het waterbeheer. De wateroverlast heeft laten zien dat er te snel knelpunten in het watersysteem ontstaan doordat het te weinig water kan bevatten. In het kader van het zogenaamde waterbeheer 21e eeuw wordt gezocht naar mogelijkheden het water meer ruimte te geven, zodat overlastproblemen zich minder snel zullen voordoen.

- Verdroging: Het optreden van te lage grondwaterstanden in landbouw- of natuurgebieden, er toe leidend dat de oogsten verminderen of natuurwaarden achteruitgaan. In Drenthe wordt veel aandacht besteed aan verdrogingsbestrijding. Dit heeft onder meer geleid tot creëren van wateraanvoermogelijkheden via de Drentse kanalen ten behoeve van de landbouw. In natuurgebieden worden anti-verdrogingsmaatregelen genomen om zo natte ecosystemen te kunnen herstellen. Dit kan door hogere peilen in te stellen en knelpunten met de omgeving op te lossen (bv. landbouw, waterwinning). De aanvoer van gebiedsvreemd water wordt op het Drents plateau vanuit het oogpunt van natuur als niet wenselijk beschouwd omdat dit water een andere, mindere kwaliteit heeft dan het gebiedseigen water.

- Verlanding: Proces waarbij open water via verschillende stadia (ook wel successiestadia genoemd) letterlijk verlandt tot moerasvegetaties en later ook bos. Speelt zich vooral af aan randen van grotere stilstaande wateren zoals meren en petgaten, in mindere mate ook langs vennen. Voorbeelden van gebieden in Drenthe waar verlanding een belangrijke rol speelt of heeft gespeeld zijn het Zuidlaardermeer en Leekstermeer, het Friese veen maar ook de randzones van verschillende vennen. Hier betreft het zure verlandingsreeksen waarin vooral veenmossen een belangrijke rol spelen.

- Waterconservering: Het vasthouden of vertraagd tot afvoer laten komen van water. Hierdoor vindt een gelijkmatige afvoer van water plaats en worden pieken in afvoer tot op zekere hoogte voorkomen. In de Middeleeuwen fungeerden de Drentse hoogvenen als een spons. Ze gaven heel langzaam en gelijkmatig hun water af. Tegenwoordig wordt - onder meer in het kader van het opvangen van toenemende pieken in de neerslag als gevolg van het broeikaseffect - getracht water langer in stroomgebieden vast te houden. Dit gebeurt onder meer door drempels in beken aan te leggen alsmede laaggelegen gebieden of slenken in bovenlopen waar het water langer verblijft en minder snel tot afvoer komt.

-Wateroverlast: Overlast veroorzaakt door het optreden van afvoerpieken. Deed zich op grote schaal voor in de jaren '50 en '60 van de 20e eeuw toen de afvoerpieken vanaf het Drents plateau naar lager gelegen gebieden sterk toenamen. Problemen waren er o.a. in Zuidwest-Drenthe rond Meppel waar meerdere beeksystemen bij elkaar kwamen. Ook de overlastperiode van najaar 1998 leverde grote overlastproblemen op in Noord-Drenthe als ook in Zuidwest- en Zuidoost-Drenthe. In Noord-Drenthe werd uit nood een dijk in de Onnerpolder (Hunzedal) doorgestoken om te hoge waterstanden op de Groninger boezem te voorkomen. [Vegter]

Literatuur