Begrip

Volkslied

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Nijkeuter

Een bepaald daartoe aangenomen lied dat symbolisch een volk vertegenwoordigt en daartoe bij gebeurtenissen gezongen en gespeeld wordt.

Bijna honderd jaar lang zijn er pogingen gedaan, Drenthe een eigen volkslied te bezorgen. De oudste proeve van een 'Drents' volkslied die tot nu toe gevonden is, verscheen in 1863 voor de viering van vijftig jaar koninkrijk. In de jaren '30 van de 20e eeuw hebben enkele dichters lofliederen op Drenthe geschreven. De eerste van hen was J.J. Uilenberg. Hij schreef en componeerde in 1928 het lied Mijn Drenthe, dat in 1930 in het maandblad Drente gepubliceerd werd. Het lied is opgebouwd uit zes strofen van acht regels. Het is een lofzang op het Drenthe dat de dichter in zijn jonge jaren gekend heeft. In 1933 werd het, samen met andere volksliederen, opgenomen in Een alleen... een nieuwe zangbundel door Aug. Weiss en J.C. Andreae met medewerking van Ferd. Timmermans. Mijn Drenthe werd een bijzonder populair lied. Voor of na de vele voordrachten die Uilenberg hield, werd het vaak gezongen, vooral bij de Drentse verenigingen in den vreemde. Daardoor verkreeg het de officieuze status van Drents volkslied. Dat betekent niet dat er ook een officieel erkend Drents volkslied bestaat.

Ook L. Koops schreef Drentse liederen; reeds in 1933 werden er twaalf gebundeld. Zijn Drenthe! is lange tijd favoriet geweest op de bijeenkomsten van de Drentse Vereniging in Amsterdam.

Sinds 1931 werd er al gediscussieerd over de wenselijkheid van een Drents volkslied. G. Bos, voorzitter van de Bond van Koren in Drenthe, was daarmee begonnen in het maandblad Drente. Kort na de oorlog werd dit onderwerp opnieuw actueel. Daaraan was in 1946 een discussie tussen ingezonden-briefschrijvers in de Provinciale Drentsche en Asser Courant voorafgegaan. In verband met het oorlogsverleden van Uilenberg moest zijn volkslied in de ban gedaan worden, aldus de volksstem in de krant. In 1947 besloot Het Drents Genootschap (HDG) een prijsvraag voor een Drents volkslied uit te schrijven. Kort daarvoor hadden twee leden al pogingen gedaan om een eigen pennenvrucht te laten verheffen tot Drents volkslied, dan wel genootschapslied. Jan Naarding presenteerde tijdens de oprichtingsvergadering van HDG Oês liêd en Vlaggelied; het eerste werd zelfs al gezongen. Voor dezelfde gelegenheid had L. Braaksma De Drentse vlag geschreven. Door een prijsvraag te organiseren omzeilde het bestuur een moeilijke keus uit het werk van twee prominente leden. Elegant ontdeed men zich van Uilenberg door de bepaling dat het lied Drentstalig moest zijn, waardoor ook de eigen vlaggenliederen moesten sneuvelen. Er deden 31 auteurs mee, die gezamenlijk veertig teksten zonder melodie instuurden.

Intussen was Naarding al bezig met een 'Drents liedties-boekien' voor uitgeverij Van Gorcum. Mede op verzoek van de Drentse koren en muziekverenigingen benoemde HDG een jaar later een commissie, die uit langer bestaande, getoonzette liederen een geschikt volkslied moest kiezen. Pikant was de mededeling dat de commissie het Drents liedtiesboekien van Jan Naarding tot uitgangspunt zou nemen. Ook de commissie kon niets ontdekken dat als Drents volkslied de geschiedenis in mocht gaan.

HDG heeft alles gedaan om Naardings Oês liêd er bij de bevolking in te krijgen als 'het nieuwe Drentse volkslied', daarbij gebruik makend van de gelukkige bijkomstigheid dat het niet meegedongen had in de prijsvraag. Het bleef niet bij deze ene poging: in de jaren '50 overwoog het Genootschap nog regelmatig initiatieven die tot een Drents volkslied moesten leiden. Ook ontving het (ongevraagd) teksten die voor hetzelfde doel geschreven waren. Tonny van der Veen van de RONO riep in 1958 zijn luisteraars op teksten voor een Drents volkslied in te sturen; maar ook dit had niet het gewenste resultaat. Wat men na de oorlog ook geprobeerd heeft, er is geen alternatief voor Uilenbergs Mijn Drenthe gekomen. In 1992 verschenen er in de pers artikelen, waarin beweerd werd dat Mijn Drenthe een vertaling zou zijn van een Drentstalige oerversie, die door Uilenbergs vader rondom 1898 geschreven zou zijn. Junior zou dus plagiaat gepleegd hebben. Over deze vermoedelijke plagiaatkwestie rijzen gegronde twijfels: de bundel waarin de Drentstalige oerversie zou zijn verschenen, wordt nergens in bibliografische naslagwerken vermeld. Ook naspeuringen in wel-bestaande liedbundels leverden tot op heden niets op. [Nijkeuter]

Literatuur