Locatie

Veenhuizer venen

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

M.A.W. Gerding

Veengebied, gelegen in het zuidelijke gedeelte van het kerspel, later de gemeente, Norg. Aan de zuidzijde gingen deze over in de Fochteloërvenen in Friesland, aan de zuidoostzijde grensden zij aan de Smildervenen. Het ging om een gebied van ca. 2800 ha aan venen en landerijen.

Reeds in de tweede helft van de 16e eeuw was hier een poging gedaan het veen aan snee te brengen, maar dat was gestrand op een gebrek aan kapitaal. In 1640 werd een tweede poging tot ontginning ondernomen door de Haagse notaris Gerrit Dijckmans. Er mocht een verbinding gemaakt mocht worden met het Peizer Diep om langs die weg de turf naar het noorden af te voeren. Dijckmans trad waarschijnlijk op als bemiddelaar, want al spoedig werd het veen aan anderen doorverkocht. De helft van het veenbezit kwam in handen van de griffier van de Staten-Generaal Cornelis Musch en de Haagse juwelier Gerrit Maes. De andere helft kwam voor 6/8 deel in handen van lieden die in Indië carrière en fortuin hadden gemaakt: Aernoult Gijsels van Lier (700 morgen), Nicolaes Couckebacker (175 morgen) en Hans Putmans (175 morgen). Het resterende 2/8 deel (330 morgen) werd gekocht door Paulo en Fransisco Coorner uit Antwerpen. De compagnons stelden in 1645 een veenmeester aan, de uit Brabant afkomstige Balthasar van der Donck.

Van Groningse zijde werd verontrust op de plannen gereageerd. Men vreesde het overvloedige veenwater dat via het Peizerdiep zou worden afgevoerd. Daarom vond men dat de vervening te Veenhuizen verhinderd moest worden, desnoods met geweld. In 1652 kwam het tot een confrontatie. Op de vroege morgen van 2 augustus 1652 verscheen een aantal soldaten en arbeiders uit Groningen die in naam van het Aduarder zijlvest de Schipsloot dichtgooiden en vernielingen aanrichtten. 's Avonds trokken zij zich terug om de volgende dag het karwei af te maken. De compagnie beklaagde zich natuurlijk bij Ridderschap en Eigenerfden over deze schending van haar rechten en de ongehoorde inbreuk op de Drentse soevereiniteit. Het antwoord van de Landschap was echter ronduit teleurstellend; naar Groningen stuurde men niet meer dan een krachteloos protestbriefje. Alle verveningsinitiatieven in Veenhuizen waren daarmee in de knop gebroken. De participanten of hun erfgenamen deden hun bezittingen van de hand.

In het begin van de 19e eeuw behoorde Veenhuizen vrijwel geheel toe aan de familie Tonckens. Een nieuwe fase brak in 1823 aan toen de Maatschappij van Weldadigheid het gebied in zijn geheel opkocht om er een deel van zijn koloniën te stichten. In 1816 al was de Norgervaart gereed gekomen, die vanuit de Drentsche Hoofdvaart in noordelijke richting gegraven was tot aan Huis ter Heide. Met het graven van de Kolonievaart in 1824 kwam de ontsluiting tot stand.

Voor de Maatschappij was turfwinning niet een van de hoofddoelen. Turf zal afgegraven zijn om landbouwgrond te verkrijgen en om in de eigen energiebehoefte te voorzien. De vaart diende voor de aan- en afvoer van allerlei andere producten en van mensen. Het beheer en het onderhoud van het kanaal was een zware last. Toen in 1859 een totaal failliet voor de Maatschappij dreigde, ging de vaart in zijn geheel over naar het rijk. In 1875 kwam een verbinding tot stand tussen de Kolonievaart en Haulerwijkstervaart in Friesland, maar tot scheepvaart van betekenis leidde dit niet.

Ondanks de behoorlijke omvang van het Veenhuizer veengebied is de turfwinning hier altijd van beperkte betekenis gebleven. Grootschalige vervening vond er niet plaats. Het meest zuidelijke deel, tegen de grens met Friesland aan, is tot op de dag van vandaag hoogveen gebleven en maakt nu deel uit van het natuurreservaat het Fochteloërveen

Literatuur