Begrip

Vakbonden

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Bos

Verenigingen van werknemers ter verkrijging van betere arbeidsvoorwaarden en omstandigheden.

De eerste organisatievorm van werknemers waren de zogenoemde werkliedenverenigingen. Zij stelden zich in Drenthe over het algemeen gematigd op en zochten meestal het overleg met de werkgevers. Ze bleven sterk lokaal gericht en alleen de plaatselijke christelijke bonden maakten dikwijls deel uit van de overkoepelende organisatie Patrimonium.

Duidelijk anders van karakter was de in 1897 opgerichte eerste landelijke vakorganisatie voor landarbeiders, de Nederlandse Bond van Landarbeiders (NBvL). Deze sloot zich aan bij het anarchistische Nationaal Arbeids Secretariaat (NAS) en hing wezenlijk radicalere denkbeelden aan.

In Zuidoost-Drenthe, waar ten gevolge van de verveningen veruit de grootste concentratie van werknemers in Drenthe voorkwam, ontstond in Nieuw Amsterdam al in 1899 de vereniging De Eendracht, die zich bij de NBvL aansloot. Erica, Nieuw-Weerdinge en Emmer-Compascuum volgden spoedig. De NBvL wist zich echter nooit tot een bond met een groot ledental te ontwikkelen en ook de plaatselijke Drentse afdelingen bleven klein.

Als reactie op de anarchistische bonden werden begin 20e eeuw enkele neutrale bonden opgericht in o.a. Barger-Oosterveen, Emmer-Compascuum, Emmer-Erfscheidenveen en Nieuw-Weerdinge. Zij slaagden er echter niet in, mede door de opkomst van de socialistische bonden in de jaren '10 en '20, een rol van betekenis te spelen.

Een wezenlijke verandering was de oprichting van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) in 1907. Het NVV leunde sterk tegen de in 1894 opgerichte Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) aan. De bonden die zich daarbij aansloten hadden als doel de behartiging en de bevordering van de belangen van de leden en de verhoging van hun levenspeil. Men wilde dit bereiken met middelen als het streven naar betere arbeidsvoorwaarden, het aangaan van CAO's en het voeren van propaganda. Juist vanwege deze elementen wordt de bond 'modern' genoemd. In plaats van een grote autonomie van de aangesloten verenigingen, had het NVV een gecentraliseerd bestuur, fulltime bezoldigde bestuurders en goed georganiseerde en gefinancierde stakingen. De in 1909 bij het NVV aangesloten Nederlandsche Bond van Arbeiders in het Landbouw-, Tuinbouw- en Zuivelbedrijf wist in Drenthe na enkele mislukte pogingen in 1916 wederom vooral in het zuidoosten voet aan de grond te krijgen. De reden dat dit zo lang duurde, was gelegen in het feit dat in de Emmer venen nog steeds vooral anarchistisch werd gedacht en de anarchisten moesten niets hebben van de strak georganiseerde moderne bonden. Toch hadden bijna alle dorpen in Zuidoost-Drenthe, dankzij de voortdurende socialistische propaganda, omstreeks 1920 een afdeling van de NVV Landarbeidersbond, zowel als een van de SDAP. Ze waren binnen het NVV georganiseerd in een Federatie Emmen en omstreken. De bond had in 1918 in Drenthe 1229 leden, waarvan 1038 veen-arbeiders en in 1933 al 6025, waarvan 3249 veenarbeiders. Ook elders in de provincie waren afdelingen van de Landarbeidersbond, zij het veel dunner gezaaid. Zo waren er afdelingen in Hollandscheveld en Assen.

De sterke nadruk van vakbondsactiviteiten in Drenthe op het zuidoosten van de provincie blijkt ook in de confessionele hoek. Begin 20e eeuw waren bonden uit Nieuw-Weerdinge en Emmer-Compascuum al aangesloten bij het Christelijk Arbeids Secretariaat. Strakker georganiseerd werden de vaak door predikanten opgerichte christelijke arbeidersverenigingen, toen in 1914 het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) werd opgericht. Veel Zuidoost-Drentse christelijke veen-arbeidersverenigingen sloten zich aan bij de van het CNV deel uitmakende Nederlandsche Christelijke Bond van Landbouw- Tuinbouw- en Zuivelarbeiders (NCLB). De NCLB werd in het zuidoosten van de provincie zo sterk dat de landelijke bestuurders dit gebied als een van de belangrijkste steunpunten van de bond beschouwden. Niettemin waren er eveneens bij de NCLB aangesloten verenigingen in Hoogeveen en Assen en waarschijnlijk ook nog wel in andere gemeenten.

Waar een socialistische en een christelijke land-arbeidersbond actief waren, kon een katholieke natuurlijk niet ontbreken. Die was er in Zuidoost-Drenthe dan ook vanaf 1912 in de vorm van de Nederlandsche Bond van R.K. Bloemist-, Land- en Tuinbouwlieden St. Deusdedit. De eerste Drentse afdelingen van de bond ontstonden rond 1918 in dorpen met een relatief groot aantal katholieken zoals Erica en Klazienaveen.

Het grootste nut van de bonden kwam vanzelfsprekend tot uiting in tijden van sociale onrust en economische tegenspoed. In het veen vond al in de 19e eeuw het zogenaamde bollejagen plaats, waarbij door middel van ongeorganiseerde stakingen en opstootjes de verveners onder druk werden gezet om hogere lonen te betalen. Soms werkte dit, vaak echter niet. Vanaf het begin van 20e eeuw begonnen de vakbonden steeds vaker de onderhandelingen met de werkgevers te voeren en werd ook het stakingsmiddel niet geschuwd. De moderne bonden hadden bovendien goede stakingskassen, waardoor ze een confrontatie tamelijk lang konden volhouden. In de grote stakingsjaren 1921 en 1925, na het ineenstorten van de veenderij, waren het de bonden van alle signaturen die namens de veenarbeiders de onderhandelingen voerden met werkgevers en de overheid en die stakingen uitriepen.

Al vanaf WO I traden de socialistische, christelijke en katholieke bonden, zeker in crisistijden, tamelijk eensgezind op. Een grotere samenwerking tussen de confessionelen en de socialisten werd echter tot WO II bemoeilijkt door het nauwe samengaan van het NVV en de SDAP, die duurde tot het einde van de jaren '30. Zeker na WOII is er van specifiek Drentse vakorganisaties geen sprake meer en volgt alles de landelijke ontwikkeling. Na een lang toenaderingsproces ging het NVV in 1975 samen met het NKV in de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). Het CNV ging niet mee, omdat het na lang overwegen toch belangrijker vond de christelijke identiteit te handhaven. [Bos]

Literatuur