Begrip

Rogge

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Bieleman
Bron: Gemeente Borger-Odoorn

Lat.: Secale cereale

Geldt als hét graangewas van de zandgronden.

Meer dan tarwe is rogge bestand tegen te strenge winters, te zure of onvoldoende vruchtbare of te weinig vochthoudende gronden. Rogge rijpt vroeg af - vroeger dan andere granen - en kan dus met minder vocht toe; wat op de droogtegevoelige zandgronden van groot belang was. Daarbij is ze door het uitzonderlijk vermogen om ook bij lage temperaturen te groeien en het feit dat er maar weinig onkruiden zijn die rogge in dat opzicht evenaren, relatief goed gewapend tegen onkruidconcurrentie. De roggeplant heeft daarbij een sterk uitstoelingsvermogen, wat een verlies aan jonge planten na een strenge winter kan compenseren. Ze floreert daarbij in eenvoudige vruchtopvolging en zoals de vroeg-19e-eeuwse, Duitse auteur Arends het uitdrukte, is rogge van alle veldvruchten 'die verträglichste mit sich selbst'.

Rogge verscheen in Drenthe in de loop van de IJzertijd als cultuurgewas. Sinds de Vroege Middeleeuwen werd ze er het belangrijkste gewas. In 1622 berichtten Ridderschap en Eigenerfden dat 'de ryckdom ende het welvaren van deselve Landtschap consisteren ende bestaen in den ackerboute ofte roggegewas'. Rogge werd sinds de Late Middeleeuwen als winter- en als zomerteelt verbouwd, waarbij het ging om dezelfde soort.

Tot in de 18e eeuw domineerde in grote delen van Drenthe een vruchtopvolgingssysteem waar winter- en zomerrogge elkaar afwisselden. Omstreeks 1840 besloegen winterrogge en zomerrogge tezamen nog zo'n driekwart van het totale bouwlandareaal in het Drentse zandgebied. Sindsdien werd zomerrogge meer en meer vervangen door aardappelen en boekweit. De opbrengsten waren eertijds laag, zeker in het licht van wat later mogelijk bleek met behulp van moderne inputs, zoals kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen en groeiregulatoren.

Rogge bracht onder de omstandigheden zoals ze in Drenthe werd geteeld tijdens de eerst helft van de 17e eeuw zo'n 700 tot 850 kg/ha op. Nadien slaagden de Drentse boeren erin die opbrengst te vergroten tot deze tijdens de eerste helft van de 19e eeuw zo'n 1.200 tot 1.300 kg/ha bedroeg. Met de komst van de kunstmest en nieuwe, veredelde rassen (zoals de Petkuserrogge), die bestand waren tegen de snel toenemende kunstmestgiften, namen de opbrengsten snel toe en rond 1960 werd in het Drentse zandgebied een gemiddeld opbrengstenpeil van rond de 2.900 kg/ha bereikt, hetgeen nadien nog toenam tot meer dan 5.200 kg/ha.

Sinds het midden van de 19e eeuw werd de rogge - eerder vooral gebruikt als broodgraan - in Drenthe toenemende mate vervoederd aan de veestapel bij wijze van krachtvoer. Na WO II ontvingen de boeren die hun rogge daartoe aan de maalderij afleverden daar doorgaans allerlei mengvoerders in ruil voor terug. Vanaf de jaren '60 is rogge in Drenthe, net zoals in de overige zandgebieden zo goed als geheel van de akkers verdwenen. Landelijk besloeg in de jaren '90 het roggeareaal nog maar 1% van het totale bouwlandareaal. In Drenthe bedroeg dat aandeel op dat moment nog bijna 3%; met name in het oosten van de provincie was het toen nog op de akkers te zien. [Bieleman]

Literatuur