Begrip

Paarden

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Bieleman
Bron: Drents Archief

Viervoetige als last-, rij- en trekdier gebruikte zoogdieren. Tot ver in de 18e eeuw was het fokken van paarden een belangrijke bron van inkomsten voor veel boeren op de Drentse esdorpen.

Overeenkomstig de situatie op de Noordwest-Duitse 'Geest' ontleende de paardenhouderij zijn economische betekenis ook aan de fokkerij. Op verreweg de meeste bedrijven hield men drie of vier volwassen paarden niet alleen omwille van hun trekkracht maar vooral ook om er mee te fokken.

Opmerkelijk is het onderscheid tussen fok en opfok. De Drentse veulens die doorgaans in de maanden februari en maart ter wereld kwamen, werden na ongeveer een half jaar gespeend om vervolgens te worden verkocht aan rondtrekkende kooplieden. Veel vaker echter verkochten de boeren hun veulens op de grote paardenmarkten. Daar werden ze opgekocht door boeren afkomstig van de klei-weidegebieden in Groningen en Friesland om daar te worden opgefokt en beleerd. De relatief dure opfok - paarden zijn de eerste jaren van hun leven niet productief en kosten alleen maar voer - werd op deze wijze als het ware uitbesteed.

Belangrijke schakels in dit netwerk vormden de veulenmarkten van Norg, Roden en Rolde. Met name de Norger markt - gehouden op de eerste dinsdag in september - gold als hét centrum van deze handel. Eind jaren 1830 - toen deze handel in feite nog maar een fractie was van de omvang die ze eerder moet hebben gehad - werden hier nog meer dan 1200 veulens aangevoerd; in Rolde en Roden resp. ca. 600 en 300. Op deze markten kochten de Drentse boeren twee- en driejarige merries aan om in hun eigen behoefte aan trekpaarden te voorzien.

De bemoeienis van de Drentse overheid met de fokkerij bewijst dat deze eertijds van grote economische betekenis moet zijn geweest. Zo bepaalden Ridderschap en Eigenerfden in 1663 dat 'om in de landschap Drenthe goede peerden 't hebben, sulckn ordre moge worden gestelt dat die gene soo enige dekpeerden willen houden, fraaije ende schoone peerden sullen moeten coopen..., van goede taille ende sterckte, het welck tot groot voordeel van de ingesetenen deser Landtschap soude strecken'. Per plakkaat werden zij die springhengsten wilden houden, aangemoedigd daartoe exemplaren aan te houden 'waarvan een goede race can worden verwacht'. In 1700 werd op de landsdag besloten dat met ingang van het volgende jaar in Drenthe 'keurhengsten' zouden worden aangesteld. De maatregelen werd in 1725 nog aangescherpt door te verbieden om 'moerpeerden' te laten dekken door niet-gekeurde hengsten.

Naarmate het bedrijf op de esdorpen zich in de loop van de 17e en vooral de 18e eeuw meer richtte op de akkerbouw, verdween de paardenfokkerij naar de achtergrond (zie: Landbouw). Daarmee samenhangend verminderde ook het aantal paarden dat men aanhield. In 1910 hielden van de in totaal 7771 Drentse paardenhouders er nog maar 345 (ofwel 4%) meer dan twee volwassen paarden aan. [Bieleman]

Literatuur