Organisatie
Alle rechten voorbehouden

Opbouw Drenthe

Organisatie type: Opbouworganisatie

Datum: -

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Wilke

Opbouworganisatie, opgericht in 1925.

In 1921 werd de zuidoosthoek van Drenthe, die geheel in het teken stond van de turfwinning geconfronteerd met de ineenstorting van de turfindustrie. Commissaris van de Koningin J.T. Linthorst Homan wist landelijke aandacht op deze lokale ramp te vestigen door journalisten uit te nodigen en hen rond te leiden door het rampgebied. Schokkende reportages verschenen in de geïllustreerde bladen als Het Leven en De Prins. Het hele land zamelde geld en goederen in voor het arme Drenthe en ook de regering wenste dat de Commissaris alles in het werk stelde om de economische en sociale neergang in de Drentse venen te keren. Waarop Linthorst Homan het initiatief nam tot de oprichting van een opbouworganisatie.

Het idee voor deze opbouworganisatie was niet nieuw. In 1920 had Linthorst Homan kennis gemaakt met het dorpshuiswerk zoals dat in Eelde was opgezet door Gezina Bähler-Boerma. Het kwam tot een gedachtewisseling tussen beiden over de mogelijkheid in heel Drenthe soortgelijke dorpswerk te initiëren om op deze wijze de ontwikkeling van de provincie te stimuleren. In de daarop volgende jaren leek de veencrisis en de landelijke aandacht voor Drenthe de mogelijkheid te bieden om de eerder besproken ideeën over dorpshuiswerk te realiseren. In 1925 nam Linthorst Homan dan ook het initiatief tot oprichting van een Centrale Commissie voor den Oeconomischen, Cultureelen Hygiënischen Opbouw van Drenthe in het bijzonder de veenstreek, bedoeld om het nijverheidsonderwijs te stimuleren, kraam- en kinderzorg op te zetten en sociale begeleiding te bieden en economische activiteiten te stimuleren met name op het gebied van tuinbouw. In 1926 werd de naam van deze nieuwe organisatie gewijzigd in de Centrale Vereeniging voor den Opbouw van Drenthe.

Belangrijkste doel was de oprichting van buurthuizen in de veenstreek die op advies van Bähler-Boerma werden geleid door maatschappelijk werksters. Daarmee deed het dan nog jonge maatschappelijk werk zijn entree in Drenthe. In 1928/1929 werd onder leiding van J. Cramer, die in 1927 tot adjunct-secretaris van de vereniging was benoemd, de organisatie gereorganiseerd. De zes buurthuizen werden ontmanteld en daarvoor in de plaats kwamen aparte diensten zoals het bureau voor jeugdzorg en maatschappelijk werk, het instituut voor jeugd- en ontwikkelingswerk.

In 1934 kreeg de vereniging toestemming van de regering om haar werkterrein uit te breiden tot heel Drenthe. De vereniging verzorgde kadercursussen op het gebied van jeugdwerk, er werd een schoolartsendienst georganiseerd, de bouw van kleuterscholen geïnitieerd en gestimuleerd, nijverheidscursussen georganiseerd en een kostuumcentrale opgezet waar verenigingen toneelkleding konden huren en in het kader van twee jeugdwerklozenprojecten werd een jeugdherberg gebouwd. Bovendien wist Cramer deskundigen van buiten de provincie voor het werk van de vereniging te interesseren zoals blijkt uit zijn initiatief om een curatorium van landelijke bekende sociaal-pedagogen in te stellen die de vereniging moesten adviseren inzake jeugdwerk.

Na de Duitse inval werd de vereniging in 1941 gedwongen een Duitsgezinde directeur te accepteren. Cramer en zijn personeel weigerden medewerking en doken onder. Na de oorlog keerden een groot deel van hen terug naar Drenthe om de werkzaamheden voort te zetten.

In 1948 zou de oude vereniging verder gaan onder de naam Stichting Opbouw Drenthe. Daarmee werd de vereniging gelijk aan de nieuwe door de overheid ingestelde opbouworganen in de andere provincies. Deze nieuwe organisaties waren naar het model van de oude Drentse vereniging georganiseerd, mede door de inzet van Cramer die nauw betrokken was bij de ontwikkeling van het idee om in alle provincies opbouworganen in te stellen te behoeve van de wederopbouw van Nederland. In 1951 werd Cramer benoemd tot Commissaris van de Koningin in Drenthe en Jo Boer werd aangesteld als directeur van de Centrale Vereeniging. In deze jaren kreeg Stichting Opbouw Drenthe kreeg steeds meer het karakter van een intermediair die onderhandelde tussen kerkelijke organisaties, Gedeputeerde Staten en andere sociaal-culturele organisaties. De stichting was betrokken bij gedetailleerde planning op sociaal-cultureel beleid waarbij het onder meer ging om het realiseren van dorpshuizen, kruisgebouwen maar ook een plattelandsbibliotheek. Daarnaast bleven de zorg voor zogenoemde a-socialen, de huishoudelijke voorlichting, de kadercursussen voor jeugdwerkers. Tussen 1957 en 1960 begeleidde Jo Boer en aantal community organization groepen in Peize, Havelte en Elim/Hollandsche Veld.

Toch kreeg Opbouw Drenthe eind jaren '50 te maken kreeg met toenemende kritiek op haar functioneren, met name vanuit de landelijke overheid en haar nieuwe ministerie voor maatschappelijk werk en vanuit de particuliere en kerkelijke organisaties die zich naast Opbouw Drenthe manifesteerden. Zij verwachtten dat de stichting haar vanouds gegroeide takenpakket anders zou invullen en zelfs taken zou afstaan. In 1972 kreeg de reorganisatie haar beslag. En daarmee ontstond een nieuwe vorm van samenwerking en werkverdeling tussen de diverse sociaal-culturele raden en Stichting Opbouw Drenthe. Door fusie ging Opbouw Drenthe in 1992 op in de STAMM

Literatuur