Begrip

Middeleeuwen

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Periode volgend op de Romeinse tijd en voortdurend tot ca. 1500.

landschap, bevolking en archeologie - Noordwest-Europa werd aan het einde van de Romeinse tijd geconfronteerd met migrerende bevolkingsgroepen, een verschijnsel dat in Drenthe waarneembaar is door een teruggang in de populatie. De ontvolking was echter niet totaal. Probleem daarbij is dat het gebruiksaardewerk uit de 6e en 7e eeuw moeilijk herkenbaar is. Enkele rijengrafvelden (Midlaren, Rhee, Tynaarlo) hebben in hun vroege fase nog zogenaamd Angelsaksisch aardewerk uit de 5e/6e eeuw opgeleverd. Zo ook is de bekende muntschat van Nietap een goed te dateren blijk van bewoning uit de 7e eeuw.

Doorlopende dorpsstructuren, zoals opgegraven in Peelo en Odoorn, maken duidelijk dat op zijn minst op een aantal locaties bewoning in deze tijd aantoonbaar is. De huisplattegronden laten daarbij een geleidelijke ontwikkeling zien van een drieschepig huis naar een eenschepig hallenhuis met gebogen verlopende wanden (zie: Odoorn, Gasselte). De huizen blijken daarbij net als in de voorafgaande periode op afzonderlijk omheinde, individuele erven te zijn gesitueerd. In deze dorpsstructuren, noch in de rijengrafvelden uit deze fase is een aanwijzing te vinden dat sommige Drenten een machtiger positie hadden dan anderen.

In de tweede helft van de 8e eeuw breidde Karel de Grote zijn rijk noordwaarts uit. De verovering ging hand in hand met de verbreiding van het christendom. Dit moet voor de Drenten, die in duizenden jaren nog nooit enige vreemde overheersing gewend waren, een uitermate vreemde ervaring zijn geweest. De invloed van het christendom is enerzijds te zien aan het veranderende grafbestel in de rijengrafvelden, anderzijds is het te merken aan de bouw van kerken, waarvan als eerste in 820 die in Arlo genoemd wordt, waarmee waarschijnlijk de kerk van Vries is bedoeld. De verbinding met het karolingische rijk blijkt onder meer uit het weer meer voorkomen van munten. Enkele bekende muntschatten uit deze tijd zijn die van Roswinkel en Yde.

De steeds verder opdringende venen hadden in de karolingische tijd hun grootste uitbreiding. De bewoonbare plekken op het zand tussen de venen manifesteerden zich meer als met elkaar verbonden eilanden, dan dat er sprake was van één groot Drents plateau. Archeologisch is de wat perifere ligging van Drenthe te merken aan de zeer beperkte uitwisseling van goederen met andere regio's. Geïmporteerd aardewerk uit de Rijnstreek (Badorf en Pingsdorf) is in Drenthe relatief schaars.

Nieuwe tijden laten zich archeologisch ook herkennen in de veranderende dorpsstructuur, waarvan de opgravingen in Gasselte een mooi voorbeeld hebben geleverd. In de 9e eeuw ontstond hier langs een weg een langgerekt dorp dat voor de Drentse zandgronden tot dan toe zeer ongebruikelijk was. Dergelijke dorpsvormen zijn daarna veelvuldig in de veengebieden terug te vinden. Waarschijnlijk onder invloed van de ontginningen in Westelijk Nederland werd in de 11e/12e eeuw namelijk ook aan de randen van Drenthe begonnen met de verovering van het veen. Dorpen als Roderwolde, Ruinerwold en Zuidlaarderveen zijn goede voorbeelden daarvan. Voor een deel waren ook kloosterlingen zoals die van het al in 1141 gestichte klooster te Ruinen betrokken bij dit ontginningswerk. Mogelijk waren zij ook verantwoordelijk voor het aanleggen van watermolens. Op enkele plaatsen in Drenthe, bijv. in het dal van het Voorste Diep bij Buinen, zijn dergelijke technische hoogstandjes opgegraven.

De invloed van de bisschop van Utrecht, die vanaf de 11e eeuw zowel de geestelijke als de wereldlijke macht in Drenthe bezat, is ook te merken aan de veranderende wijze van kerkbouw. Steen als bouwmateriaal, dat vanaf de 11e eeuw werd gebruikt, paste, hoewel toch ruim voorhanden, niet in de Drentse traditie van bouwen. Evenzo een aanwijzing voor de bisschoppelijke invloed zijn de in steen (althans het fundament) uitgevoerde kleine spiekers zoals opgegraven te Lhee en Zuidbarge (zie ook: Spieker van Lhee), waar we kunnen vermoeden dat de bisschoppelijke inkomsten (in natura) tijdelijk werden opgeslagen.

Ook in de latere Middeleeuwen zien we dat de handel in luxe goederen achter bleef bij die in de opkomende steden. Import-aardewerk uit de 13e eeuw en later, zoals verschillende soorten steengoed en rood en grijs aardewerk, worden in Drenthe nauwelijks gevonden. Kogelpot blijft het dominante gebruiksaardewerk, dit in tegenstelling tot bijv. een stad als Groningen. De opkomst van deze stad heeft ook in Noord-Drenthe de exploitatie van een groot aantal kleine veenterpen mogelijk gemaakt. Op deze veenterpen werd in de 13e eeuw bier gebrouwen dat in de opkomende stad kon worden afgezet. Anders dan voorheen bleven de Drentse dorpen vanaf ca. 1200 min of meer op dezelfde plaats, dat wil zeggen op de plaats van de huidige dorpen. Een verschijnsel dat zich sindsdien nog wel bij een aantal dorpen voordoet, is de stichting van nieuwe boerderijen aan de overzijde van de es. Dergelijke Overessinge's of Eursinge's komen op verschillende plaatsen in Drenthe voor. Ook blijken dergelijke stichtingen wel eens mislukt en weer verlaten (Vorenkamp bij Zeijen).

De es als bouwland werd in de Middeleeuwen bemest vanuit de potstal. Het vee dat daar 's nachts verbleef, veranderde met zijn uitwerpselen de vloer van strooisel in een waardevolle mestlaag. Eerst vanaf de 17e eeuw werden in de potstal ook heideplaggen met zand gebruikt (zie: Plaggenbemesting). Pas vanaf die tijd werden de essen tegelijk met de bemesting ook belangrijk opgehoogd. Soms liepen dwars over de es wegen om de dorpen onderling met elkaar te verbinden. Een belangrijke verbinding liep daarbij over de Hondsrug van Coevorden naar Groningen. Daar waar wegen de beekdalen moesten kruisen, werden niet zelden voordes aangelegd. Deze werden vaak met stenen geplaveid.

bestuurlijke ontwikkeling - Na het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote kwam Drenthe uiteindelijk onder het bewind van de Duitse koningen, die vanaf de 10e eeuw het leenstelsel tot de basis van hun bestuurlijke organisatie maakten. Ze delegeerden een deel van hun macht aan graven, die uit naam van de koning verantwoordelijk waren voor de rechtspraak, inning van belastingen en verdediging van hun graafschap.

Aan de grenzen van hun rijk stelden ze daartoe bij voorkeur bisschoppen aan. Zo verwierf de bisschop van Utrecht in grote delen van zijn bisdom de grafelijke macht en oefende deze in Drenthe vanaf 1046 daadwerkelijk uit. Vanaf de 12e eeuw waren zijn belangrijkste vertegenwoordigers de prefect van de stad Groningen, die toen nog tot Drenthe behoorde, en de kastelein van het juist buiten Drenthe gelegen Coevorden, die tevens meestal schout van Drenthe was. Onenigheid over het burggraafschap van Groningen en het kasteleinschap van Coevorden, omstreeks 1141 door bisschop Hartbert van Bierum als erfelijk leen gegeven aan diens broers, leidde tot regelmatige twisten, culminerend in de Slag bij Ane in 1227.

De rechterlijke indeling van Drenthe was in zes dingspelen, die grotendeels overeenkwamen met de gebieden van de zes oerparochies (kerspels). In de Late Middeleeuwen wisten de heren van Coevorden een groot deel van het bisschoppelijke gezag aan zich te trekken. Bisschop Frederik van Blankenheim (1393-1423) stelde orde op zaken en verving de kastelein door een rekenplichtige functionaris, de ambtman of drost, meestal een Sallandse edelman. In de kerspels benoemde de bisschop schulten. Bovendien liet hij het Drentse Landrecht optekenen.

Inmiddels kende de Landschap Drenthe ook eigen bestuurlijke en rechterlijke instituties zoals de landsdag (vertegenwoordigers van de kerspels) en de Etstoel (vertegenwoordigers uit de dingspels), beide onder voorzitterschap van de drost. De vertegenwoordigers dienden eigenerfden te zijn. Lokale belangen werden door middel van willekeuren behartigd door de buurschap in samenwerking met de schulte.

In 1522 moest de Utrechtse bisschop de grafelijkheid aan hertog Karel van Gelre overdragen; in 1536 kwam Drenthe rechtstreeks onder het gezag van keizer Karel V, die in de noordelijke provincies een stadhouder aanstelde. Sindsdien stond het voortbestaan van Drenthe als zelfstandig gewest herhaaldelijk ter discussie. In de late 16e eeuw had Drenthe, hoewel aanvankelijk zelf geen partij, zeer te lijden van de Tachtigjarige oorlog. Na de verovering van Coevorden en Groningen in 1593/4 ging Drenthe op in de Republiek.

sociaal-economische ontwikkeling - Drenthe was een agrarische maatschappij gebaseerd op (groot)grondbezit. De bisschop van Utrecht verwierf een uitgebreid goederenbezit in Drenthe, dat hem de inkomsten moest verschaffen om zijn taken als geestelijk en wereldlijk heer te vervullen. Het betrof veelal van oorsprong domaniale goederen, goederencomplexen die beheerd werden vanuit een centrale hof en aanvankelijk in principe zelfvoorzienend waren. De goederen werden beheerd door ministerialen of dienstmannen (onvrije leenmannen), horigen, en pachtboeren. De ministerialen van de bisschop konden op verschillende plaatsen op lokaal niveau macht verwerven; dat toonden ze o.a. in de bouw van Mottekastelen (zie: Motte) en later ook andere kastelen.

In de Late Middeleeuwen werden leenverbanden omgezet in pachtovereenkomsten en verdween de horigheid. De pachten werden voornamelijk in rogge voldaan. Ook verschillende kerkelijke instellingen van binnen en buiten Drenthe werden belangrijke grootgrondbezitters. Daarnaast waren er eigenerfde boeren op de zandgronden. Iedere 'volle' boerderij had een deel (waardeel) van de woeste gronden in gebruik, waarvoor de schuldmolt moest worden afgedragen. Een 'vol' bedrijf omvatte bouwland (es), weide en madegrond, en had een omvang van tenminste 1.5-4 ha; het was een gemengd bedrijf met akkerbouw (winterrogge, zomergraan, peulvruchten) en veeteelt (varkens, runderen, schapen, geiten). De woeste gronden (heide en veen) leverden mest, brand- en bouwstoffen en werden gebruikt voor de bijenteelt. In het noorden werd bovendien hop verbouwd.

Vanaf ca. 1000 vonden dankzij een samenspel van klimaatsverbetering, bevolkingsgroei en technologische vernieuwingen ontginningen plaats. Het aantal boerenbedrijven nam toe van ongeveer 550 in de 10e eeuw tot 2566 in 1612; dat betekende een groei van het inwonerstal van ca. 2900 tot ca. 13.350, met de grootste groei tot ca.1300.

In de 14e eeuw brachten pest en hongersnood grote sterfte en het herstel kwam slechts langzaam op gang. Noordenveld was het dichtst bevolkt. In het noorden ontwikkelde Groningen zich tot een bloeiende handelsstad, die zich voornamelijk op de Friese landen richtte. Meppel kwam tot ontplooiing in de 15e eeuw dankzij de binnenschipperij. Assen kwam pas na de Middeleeuwen tot ontwikkeling. In de 16e eeuw had de Drentse economie zeer te lijden van oorlogsgeweld.

kerkelijke ontwikkeling - Voor Karel de Grote betekende onderwerping van de Saksen en Friezen tevens kerstening van deze volken. De Angelsaksische missionaris Willibrord (gest. 739) was de eerste bisschop van Utrecht. Zijn werk werd in Drenthe voortgezet door de Fries Liudger, de eerste bisschop van Munster (gest. 809), en de eveneens Angelsaksische Willehad, die in 799 door de Drenten werd verjaagd en uiteindelijk de eerste bisschop van Bremen werd. Volgens een oorkonde van 820 schonk een zekere Theodgrim, misschien een neef van de Friese missionaris Liudger, een hof en kerk in het Drentse Arlo aan de abdij Werden aan de Ruhr, mogelijk ter gelegenheid van zijn intrede.

Het aartsdiakonaat Drenthe, een van de elf aartsdiakonaten waarin het bisdom Utrecht was onderverdeeld, viel onder het beheer van de proost van Sint-Marie. Aanvankelijk kwam de bisschop eens in de vier jaar zelf naar Drenthe voor de kerkelijke rechtspraak (de seend), de andere jaren gebeurde dat door de deken, één van de pastoors van Drenthe. De rechtszittingen vonden plaats in de kerken in de zes oudste kerspels. De oudste parochiekerken (Vries/Arlo, Diever en Emmen/Sleen) waren bisschoppelijke stichtingen (eigenkerken).

De bevolkingsgroei leidde tot het opsplitsen van de oerparochies. Dit is voor het eerst aantoonbaar in Noordenveld, waar in 1139 behalve in Vries kerken waren in Eelde, Norg, Roden en Roderwolde. De belangrijkste bronnen van inkomsten voor de kerk en de geestelijkheid waren behalve grondbezit de tienden, oorspronkelijk het tiende deel van de oogst dat de bevolking jaarlijks moest afdragen.

Pas in de 12e eeuw werden in Drenthe kloosters (Ruinen/Dikninge, Assen (Mariënkamp), Bunne) gesticht. De goederen die het klooster Werden voor die tijd in Drenthe had bezeten, zijn waarschijnlijk aan de Utrechtse bisschop gekomen. Met het nieuwe politieke bestel werd de Reformatie ingevoerd. Dit betekende het einde voor de kloosters en de kerk van Rome. De kerkelijke goederen kwamen aan de Drentse overheid, die zich vestigde in de gebouwen van het klooster te Assen. 

Literatuur