Persoon

Jo(h)annes van Lier

Functie: Jurist

Geboren: 1726
Gestorven: 1799

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

(Rotterdam 1726 - Kleef 1799)

Jurist, van 1750-1758 lid van Gedeputeerde Staten van Drenthe en 1758-1785 belastingontvanger van Drenthe. In 1785 wegens een kastekort naar Kleef uitgeweken, als dupe van de gebrekkige organisatie van de Drentse financiën.

Sinds 1734/35 was het slopen van Drentse hunebedden wettelijk verboden. Toen een stenendelver in 1756 het 'trapgraf' te Eext (hunebed D13, ook Stemberg en Grafkelder genoemd) vanonder een aarden heuvel bloot groef en beschadigde, herstelde Van Lier dit namens het landsbestuur. Zijn Oudheidkundige Brieven met waarnemingen en beschouwingen over stratigrafie en vondsten zijn in 1760 door A. Vosmaer ('s-Gravenhage) gepubliceerd, de eerste monografie over een Drents hunebed en wetenschappelijk up to date. Mede op grond van Franse cultuurfilosofische literatuur en etnogra-fische studies argumenteerde hij dat de gevonden vuurstenen pijlpunt en vuurstenen bijlen slechts moeitevol gemaakt konden zijn in een tijd waarin men nog geen metalen kende. Hoewel hij de termen nog niet gebruikte, liet hij in Drenthe aan een Metaaltijd een Steentijd voorafgaan, waarin de hunebedden gebouwd waren. Metalen voorwerpen, die hij uit grafheuvels en urnenvelden kende, dateerden volgens hem van omstreeks de Romeinse tijd. Alle gevonden voorwerpen worden afgebeeld, vergezeld van vergelijkbare vondsten elders en uitvoerige speculaties over hun doel (de stenen bijlen zouden als knotspunten gediend hebben). Terloops wees hij erop dat de traptreden en de kelder van D13 veel te klein waren voor reuzen.

In 1781 schreef hij een even grondige, fraai geïllustreerde Verhandeling over de Drentsche adders en slangen, lang een standaardwerk. In Kleef schreef hij de belangrijkste stukken (1e en 2e stuk, 1792) van de Tegenwoordige Staat van het Landschap Drenthe (Amsterdam etc.), het eerste overzichtswerk over Drenthe na dat van Picardt (1660). Medeauteurs waren zijn zoons K.J. en F.A. van Lier. J. Tonkens schreef de achteraan geplaatste 'Inleiding' (Amsterdam etc. 1795) met adviezen van J. de Rhoer.

Literatuur

  • Lit.: DB 3.