Begrip

Landbouw

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Bieleman
Bron: Drents Archief

Begrip waarvoor talloze definities bestaan. Aan het begin van de jaren '50 omschreef de Wageningse landbouweconoom Minderhoud 'landbouw' als: 'de toepassing van arbeid op de natuur om deze met medewerking van kapitaal te dwingen meer voor de mens nuttige planten en dieren voort te brengen dan ze zou opleveren, als ze aan zich zelf zou worden overgelaten'. Anderen spreken wel over 'the human activity that produces useful organic material by means of plants and animals, with the sun as the source of energy' en weer anderen simpelweg over: 'toegepaste ecologie'. Speciaal deze laatste definitie brengt ons in al zijn bondigheid dichtbij de essentie van wat in feite landbouw is. Want, of we nu spreken over traditionele of ultramoderne, sterk geïndustrialiseerde landbouw, in beide gevallen gaat het in wezen om het (trachten te) beheersen van biologische processen. Uiteindelijk zijn het deze die de grenzen stellen aan de omvang van de landbouwkundige productie. Landbouw is gebonden aan de aard en het temperament van de reproductieprocessen van plant en dier en dat maakt landbouwkundige productie dan ook principieel verschillend van allerlei industriële productiemethoden.

 Landbouw is bovenal echter ook 'mensenwerk' en kent dus ook belangrijke sociale en cultuurlijke componenten en aangezien landbouw ook steeds het maken van keuzes impliceert, kent het ook belangrijke economische facetten. In zijn vele duizenden jaren lange ontwikkelingsgeschiedenis evolueerde landbouw van een 'strategy for survival' - zoals eerder jagen dat was - naar een economische sector die nog maar aan een zeer klein deel van de beroepsbevolking in directe zin een bestaan verschaft.

Vanuit historisch perspectief bezien wordt het beeld van de Drentse landbouw bepaald door de landbouw op esdorpen. Nog in de 17e eeuw werd die landbouw beheerst door grote bedrijven op basis van een breed opgezet, extensief gevoerd, gemengd bedrijfstype. Hoewel de akkerbouw op de essen centraal stond, speelde veehouderij met name van die van rundvee en paarden een belangrijke rol. En - anders dan lange tijd werd verondersteld - was de schapenhouderij nog slechts vrij geringe betekenis. Rogge - winter- en zomerrogge - was veruit het belangrijkste gewas.

Vanaf de tweede helft van de 17e eeuw deed zich een proces van specialisatie en intensivering voor waarbij de akkerbouwpoot van het bedrijf werd versterkt ten koste van de veehouderij. Het aantal runderen en paarden werd belangrijk ingekrompen, terwijl de schapenhouderij opkwam, voornamelijk in de rol van mestproducent. Een eerder sterk collectief regime dat het gebruik van het bouwland op de essen regelde, kreeg een meer sterker individueel karakter. Een intensivering van het plaggenbemesting-systeem, mogelijk door een grotere inzet van arbeid, leidde uiteindelijk tot hogere opbrengsten.

In verschillende delen van Zuidwest-Drenthe, met name in De Wijk, Ruinerwold, Kolderveen en Nijeveen, richtten de boeren zich daarentegen juist op de rundveehouderij. Hier vond men in de 19e eeuw dan ook de grootste veehouderijbedrijven.

Onder invloed van ontwikkelingen op de exportmarkten evolueerde het op akkerbouw gerichte bedrijf op de esdorpen vanaf omstreeks 1850 naar een bedrijfstype waar de akkerbouw in dienst kwam te staan van de veehouderij: etagebedrijf'. De producten van de bouw (rogge, aardappelen) bleven op eigen bedrijf om te worden vervoederd, terwijl de inkomsten vanaf nu voortkwamen uit de verkoop van boter en varkens en - naderhand - ook van eieren (pluimvee). Op basis van dit intensievere bedrijfstype was het mogelijk ook op een kleiner bedrijf een bestaan op te bouwen, hetgeen een sterke stimulans betekende voor de ontwikkeling van het kleine boerenbedrijf.

Onder dergelijke omstandigheden was in de tweede helft van de 19e eeuw al een nieuwe groep van zogenaamde eenpaardsboeren ontstaan, naast de gezeten boerenstand, gevormd door grote, twee- en vierpaardsboeren. Met name de opkomst van de coöperatieve zuivelbereiding en nieuwe ontwikkelingen in de varkenshouderij (in de vorm van de opkomst van de mesterij van zogenaamde Londense biggen) kwam de ontwikkeling in een stroomversnelling en nam het aantal kleine een zeer kleine boerenbedrijven sindsdien nog verder toe.

Niettegenstaande het intensieve karakter, bleek echter al in de jaren '20 - maar meer nog tijdens de crisis van de jaren '30 - dat de arbeidsproductiviteit op deze bedrijven te laag was. Het was een probleem dat sindsdien bekend werd onder de benaming het 'Kleine-Boeren vraagstuk'. De kern ervan was terug te voeren op het gegeven dat een te groot aantal personen afhankelijk was van een te klein areaal. De problematiek van een te lage arbeidsproductiviteit zette de toon voor de ontwikkelingen na 1950. Als gevolg van de sterke economische groei ging in die periode, maar vooral na 1963, het algemene loonniveau explosief omhoog, terwijl de prijzen van de producten (melk) veel minder snel stegen. Voor de boeren betekende dit dat, voor zover ze afhankelijk waren van loonarbeid, de loonkosten als kostenpost steeds zwaarder gingen wegen, vooral omdat de prijzen van de agrarische producten daarbij ver achterbleven. En voor zover het hun eigen verdiensten betrof, maakte dat laatste dat ze meer dienden te produceren om een inkomen te verwerven dat op gelijke hoogte stond met dat wat in de overige sectoren van de economie inmiddels gebruikelijk geworden was.

Dit nu leidde tot een ongekend proces van mechanisatie, intensivering, schaalvergroting en specialisatie. Het kleine, gemengde bedrijf van de zandgronden verdween vooral na 1963 in hoog tempo om plaats te maken voor grote high-tech melkveehouderijbedrijven, varkenshouderijbedrijven en pluimveehouderijbedrijven. In deze laatste sector ontstond naast de legsector een gespecialiseerde slachtkuikensector. Overigens kwamen gespecialiseerde varkens-, zowel als pluimveebedrijven in Drenthe minder tot ontwikkeling dan zoals dat elders wel het geval was. In deze provincie specialiseerden veruit de meeste gemengde bedrijven zich vooral op de melkveehouderij.

Recent telde men in Drenthe naast ruim 1600 melkveehouderijbedrijven nog geen 400 varkenshouderijbedrijven en slechts 61 pluimveehouderijbedrijven. De overheid ondersteunde al deze ontwikkelingen nadrukkelijk met een politiek die later werd aangeduid als 'structuurbeleid', om het te onderscheiden van een gelijktijdig gevoerd conjunctureel prijsbeleid. Het structuurbeleid was speciaal gericht op een rationalisatie van de landbouw ten behoeve van een hogere arbeidsproductiviteit, door een meer efficiënte combinatie van de productiefactoren ondernemerschap, arbeid, grond en kapitaal.

Een van de belangrijkste instrumenten daarbij was de ruilverkaveling. Vooral in de jaren '60 en '70 werden landelijk tal van ruilverkavelingsprojecten in uitvoering genomen. Het zo vertrouwde boerenlandschap ging daarbij vaak grootschalig op de schop en met behulp van fikse subsidies van de rijksoverheid kon de ontsluiting drastisch worden verbeterd, boerderijen verplaatst en perceelsgrootte en -vorm aangepast aan de eisen van mechanisatie. Spectaculaire technische innovaties (trekker, melkmachine, melktank, ligboxenstal, rijdende melkontvangst (of RMO), cyclomaaiers, opraapwagen, etc.) gingen samen met vergaande maatschappelijke veranderingen, toen ze leidden tot een ongekend grote uittocht van mensen uit de landbouw. Eerst waren het de landarbeiders die naar ander werk moesten uitzien; vervolgens de boerenzoons, toen bleek dat op de ouderlijke bedrijven onvoldoende bestaansmogelijkheden bestonden. Na het midden van de jaren '60 verdwenen in snel tempo de (te) kleine bedrijven. Terwijl de veestapel groeide, nam het aantal bedrijven snel af. Telde men in Drenthe omstreeks 1960 nog zo'n 16.000 rundveehouders, aan het eind van de jaren '90 waren er dat nog slechts 2600. [Bieleman]

Literatuur