Begrip

Kerkbouw

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

De Olde
Bron: Drents Archief

De oudste kerken in Drenthe waren van hout gebouwd. Dankzij oudheidkundig bodemonderzoek kunnen we ons een voorstelling van hun constructie maken. Die constructie was gelijk aan die van een boerderij. Aanvankelijk werden stijlen van veelal rechthoekige doorsnee in daartoe op regelmatige afstanden gegraven gaten geplaatst, waarna ze door dwarsbalken met elkaar werden verbonden. De dakbedekking rustte op een sporenkap. De wanden bestonden uit met leem bestreken twijgen. De ingangen van de rechthoekige ruimte bevonden zich in de lange zijden.

In een latere fase van ontwikkeling werd een fundering van aan de bovenzijde vlakke veldstenen neergelegd of ingegraven. De stenen dienden als stiepen voor de houten stijlen van de constructie. In de laatste fase fungeerden de veldkeien als fundering voor in de lengterichting neergelegde houten draagbalken, waar de stijlen werden ingelaten. Tussen deze dragende stijlen stonden verticale planken in een gleuf in de draagbalk.

Voorbeelden van de eerstgenoemde fase zijn de kerken van Anloo, de eerste kerk in Norg, twee van de drie kerken in Diever en de kerk in Emmen, van de tweede ontwikkelingsfase de tweede kerk in Norg, van de derde fase een van de kerken in Diever, de tweede kerk in Vries en de kerk in Zweeloo. Sommige van de ruimten waren enkelvoudig, zoals in Diever, Norg en Zweeloo, andere waren drieschepig (bijv. Anloo, Emmen en Rolde). In Sleen en Vries zijn de resten te gering om conclusies met betrekking tot vorm en grootte te trekken. De afmetingen van de houten kerken lopen uiteen van 12 bij 6 m (Norg) tot 22 bij 7 m (Diever). Bij enkele kerken (Diever en Norg) zijn ook aanwijzingen voor een afgesnoerd koor gevonden: in Diever even breed als de kerk, in Norg versmald.

De levensduur van een houten gebouw is beperkt. Dat geldt in het bijzonder voor gebouwen met ingegraven stijlen. Niet zelden zijn twee (Norg en Vries) of zelfs drie (Anloo, Diever, Rolde) opeenvolgende houten kerken aangetoond. De drie kerken van Diever zijn alle door brand verwoest; hetzelfde lot trof de tweede kerk van Vries.

De houten kerken zijn overal door stenen gebouwen gevolgd. In sommige dorpen werd al omstreeks 1100 voor tufsteen gekozen, in andere duurde het tot omstreeks 1200 voor baksteen werd gebruikt. Zo werden de houten kerk in Norg pas in de 13e eeuw en de houten kerken in Sleen en Zweeloo zelfs pas in de 14e eeuw door een bakstenen kerk vervangen. De duurzaamheid en het aanzien van stenen gebouwen waren redenen om de houten kerken allengs te vervangen. Houten kerken bleven soms lang bestaan om pas in de 13e eeuw (Norg) of zelfs in de 14e eeuw (Sleen, Zweeloo) door een bakstenen kerk te worden vervangen.

Van de tufstenen kerken bleven de schipgedeelten in Anloo en Vries in stand. In Ruinen is bij een herbouw in het eerste kwart van de 16e eeuw een gedeelte van het tufstenen schip gespaard. Bij de vervanging van de tufstenen kerken van Diever en Eelde is een deel van het afkomende materiaal bij de bouw van de nieuwe kerk opnieuw gebruikt. Van de tufstenen torens bleef die in Vries het best bewaard. Deze is een van de fraaiste tufstenen torens in ons land. In het bovenste deel is in toenemende mate baksteen verwerkt. De toren in Anloo is van de grond af in baksteen en tufsteen gebouwd.

Van de in Drenthe toch ruimschoots voorhanden veldstenen is voor zover wij weten slechts op beperkte schaal gebruik gemaakt. Momenteel zijn alleen de onderbouw van de toren in Emmen en het onderste gedeelte van de koormuren in Odoorn van veldstenen opgetrokken. Ze worden beide rond 1200 gedateerd. Ook het onderste deel van de schipmuren in Odoorn bestond voor de afbraak uit graniet. Wel zijn zowel houten als tufstenen en bakstenen kerken en torens op veldstenen gefundeerd en zijn keien op grote schaal gebruikt als vulling in de als kistwerk uitgevoerde tufstenen en vroege bakstenen muren.

Van de omstreeks 1200 geheel in baksteen gebouwde kerken resteren belangrijke gedeelten in Havelte en Ruinerwold. In Havelte is de kerk in de tweede helft van de 15e eeuw verhoogd en van een nieuw koor voorzien, maar de oorspronkelijke kerk tekent zich zowel uitwendig als inwendig duidelijk af. In Ruinerwold dateert een deel van de zuidelijke schipmuur nog van de oorspronkelijke kerk. Eindweegs in de 13e eeuw verrezen de bakstenen kerken in Gasselte, Norg, Peize, Roden en Zuidlaren. Bij al deze kerken voerden latere verbouwingen en uitbreidingen tot meer of minder sterke wijziging. Het halfrond gesloten koor in Norg, dat zijn koepelgewelf heeft behouden, is het meest ongeschonden bewaard.

In Norg en Roden is de invloed van de Groninger-Oostfriese romanogotiek aanwijsbaar. De kerk van Roden is van aanvang af driebeukig geweest. Voor het overige zijn in deze periode eenbeukige zaalkerken regel. De belangrijkste toren is die van Zuidlaren, gebouwd omstreeks 1300; hij is in de 15e eeuw verhoogd. De 14e eeuw is vertegenwoordigd met de kerken van Eelde en Zweeloo, de koorgedeelten van Anloo en Sleen, de torens in Vledder, Kolderveen en Borger en de onderbouw van de toren in Westerbork. Met uitzondering van de toren in Vledder, die waarschijnlijk onder Friese invloed romaanse trekken vertoont, zijn het alle bouwwerken van gotische makelij.

Vooral in de 15e eeuw zijn verschillende romaanse kerken herbouwd of ingrijpend verbouwd. De werkzaamheden begonnen veelal met de herbouw van het koor. In Vries en Zuidlaren bleef het daarbij. In Beilen, Diever, Dwingeloo, Emmen, Roden, Rolde, Ruinerwold, Sleen en Vledder zijn herbouw of verbouw wel voltooid. In Meppel verrees een geheel nieuwe kerk. Uitgezonderd in Emmen en Sleen, waar het schip al in opzet driebeukig was, waren het aanvankelijk alle eenbeukige kerken. Aan de kerken van Meppel en Ruinerwold is in de 16e eeuw een zijbeuk toegevoegd; de kerken van Diever en Roden werden naderhand driebeukig. Onder de in deze eeuw gebouwde kerken neemt de kerk van Nijeveen een afzonderlijke plaats in. Deze is gebouwd als een boerderij: de houten staanders van de gebinten verdelen de kerkruimte in een middenbeuk en twee smalle zijbeuken; de muren van het koor zijn wel dragend.

Bijzondere vermelding verdient een groep gotische kerktorens uit de 15e eeuw. Op grond van hun gemeenschappelijke kenmerken worden ze als Drentse Torenfamilie betiteld. Zij worden afzonderlijk besproken. De toren van Meppel, niet tot deze familie behorend, is wel een hoogtepunt van de gotische monumenten in Drenthe.

Hoewel oorlogshandelingen en verval aan het eind van de 16e eeuw en in de eerste helft van de 17e eeuw veel schade aan de Drentse kerken toebrachten, werd zelden tot afbraak besloten; veelal volstond sober herstel. Wel zijn toen of later veel gewelven teloorgegaan. Specifiek voor de protestantse eredienst zijn slechts enkele kerken van betekenis gebouwd. In de 17e eeuw waren dat de kerken in Coevorden (1641-1645) en Hoogeveen (1652), beide met als plattegrond een Grieks kruis met afgeschuinde hoeken tussen de armen. In Hoogeveen is de kerk in enkele verbouwingen tot een zaalkerk vergroot. In Hijkersmilde (1780-1788) en Veenhuizen (1825-1826) werd voor de classicistische kerken een achthoekig grondplan gekozen.

In de 18e eeuw (Roswinkel 1759), maar vooral in de 19e eeuw hebben wel veel middeleeuwse kerken voor kleinere, eenvoudige gebouwen plaats gemaakt. Voorbeelden zijn de kerken in Wapserveen (in 1803 in gotische trant herbouwd), Dalen (1824), Roderwolde (in 1831 op een andere plaats gebouwd), Gieten (1849) en Emmen (1856). Geheel nieuwe kerken, meestal eenvoudige zaalkerken met rondboogvensters in de door pilasters gelede zijgevels en soms een neoclassicistische ingangspartij als bijzonder accent, kwamen tot stand in dorpen als Annerveenschekanaal (1835, met aangebouwde pastorie; de toren verrees in 1860), Gieterveen (1840; hier met spitsboogvensters), Eext (1841) en Grolloo (1853). Omdat de in het tweede kwart van de negentiende eeuw in Nederland gebouwde kerken in beginsel onder toezicht en in een aantal gevallen volgens ontwerp van de ingenieurs van het ministerie van Openbare Werken en Waterstaat werden gebouwd, kregen zij de bijnaam Waterstaatskerken. Meer allure hebben de kerken in Gasselternijveen (1858 met in 1879 toegevoegde toren en drie ingangen aan de lange zijde) en vooral Assen (1846-1848 met indrukwekkende hoofdingangspartij met dorische zuilen en fronton).

Restauraties in de 20e eeuw hebben enerzijds het voortbestaan van veel kerken en torens verzekerd en de bouwgeschiedenis van sommige kerken geaccentueerd, anderzijds door onoordeelkundige en willekeurige ingrepen diezelfde kerken blijvend ontluisterd. Ook de interieurs hebben hier dikwijls onder geleden. [de Olde]

Literatuur