Begrip

Kamp Westerbork

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Mulder
Bron: Geheugen van Drenthe

Concentratiekamp bij Hooghalen. Vooral bekend c.q. berucht als 'Durchgangslager'; tijdens WO II vonden van hieruit de deporaties van Nederlandse joden naar de vernietigingskampen in het Oosten plaats.

Kamp Westerbork was geen schepping van de Duitse bezetter, maar werd in opdracht van de Nederlandse regering gebouwd. Het is niet gesticht tijdens de Duitse bezetting, maar reeds in 1939 gebruik genomen. Het was niet gepland om radertje te zijn in de nazi-vernietigingsmachine, maar gebouwd om te dienen als opvangkamp voor joodse vluchtelingen. De geschiedenis van kamp Westerbork eindigde niet met de bevrijding in 1945. Tot 1971 bleef het in gebruik, voor wisselende groepen gevangenen en bewoners. Afbraak volgde.

Vluchtelingenkamp - Kamp Westerbork is in 1939 gebouwd als centraal vluchtelingenkamp in opdracht van de Nederlandse overheid voor de opvang van joodse vluchtelingen uit Duitsland. Spoedig na de machtsovername van Adolf Hitler (1933) kwamen de eerste politieke en joodse vluchtelingen uit Duitsland Nederland binnen. De regering liet met grote terughou-dendheid deze vluchtelingen toe. Economische argumenten wogen in de regel zwaarder dan overwegingen van humanitaire aard. Vluchtelingen werden veelal als 'ongewenscht element' beschouwd. Naarmate de toeloop groter werd, werd de toelating stringenter. In mei 1938 gingen de grenzen geheel dicht. De Reichskristallnacht van 9 op 10 november 1938 bracht een nieuwe stroom aan joodse vluchtelingen. Door de haast kwamen velen ook illegaal. Meerdere duizenden werden toegelaten, op voorwaarde dat ze in kampen zouden worden ondergebracht. Deze moesten worden gefinancierd door de joodse gemeenschap in ons land.

De onoverzichtelijkheid van de tientallen vluchtelingenopvangkampen leidde ertoe dat besloten werd één centraal kamp voor joodse vluchtelingen in te rich-ten. Het Comité voor Joodse Belangen moest zich garant stellen voor de kosten (meer dan één miljoen gulden). Op 1 januari 1941 zou het Comité het eerste deel moeten aflossen. De komst van de oorlog verhinderde dit. Elspeet op de Veluwe werd hiervoor gekozen. Daartegen rezen bezwaren, van de ANWB en van één van de buren. De laatste, koningin Wilhelmina, achtte het kamp te dicht bij haar zomerverblijf. Het gevolg was een nieuwe zoektocht met als resultaat het besluit te komen tot een kamp op een heideveld in de gemeente Westerbork, vlakbij het dorp Hooghalen. Het kamp mocht niet midden in de bewoonde wereld komen. Voorkomen moest worden dat de Duitse joden deel uit gingen maken van de Nederlandse samenleving.

Op 19 juli 1939 werd opdracht gegeven tot de bouw van het kamp. Op 9 oktober kwam de eerste groep vluchtelingen in Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork aan. Het was de bedoeling dat er zo'n 2.500 mensen zouden worden gehuisvest. Naast opvang voor semi-permanent verblijf moest het kamp vooral opleidingsplaats zijn. Dit om zo meer prikkel tot emigra-tie te geven. De eerste groepen vluchtelingen troffen een kamp in aanbouw aan. Zij werden ingezet bij de bouwwerkzaamheden en bij de ontginning van de omgeving. De huidige bossen van de boswachterij Hooghalen zijn deels door hen aangeplant. Het kamp naderde slechts langzaam zijn voltooiing. Tot 10 mei 1940 nam de bevolking toe tot iets meer dan 700 zielen.

Met de Duitse inval werd het kamp geëvacueerd om de gevluchte joden in veiligheid te brengen. Dit mislukte. Spoedig nadien mochten zij zonder speciale toestemming het kamp niet meer verlaten. In opdracht van de Duitse autoriteiten moesten ook andere Duits-joodse vluchtelingen zich naar het kamp begeven. Het kamp bleef vooreerst onder Nederlandse leiding staan. Van enige bewegingsvrijheid voor de vluchtelingen was in Westerbork nauwelijks sprake meer. In de loop van 1942 kwam er een definitief einde aan het 'zachte karakter' van de gevangenis en wijzigde de functie van het kamp zich in een doorgangskamp.

Durchgangslager - Ontstaan - De ongeveer 140.000 in Nederland levende joden konden na de Duitse inval in mei 1940 nog betrekkelijk rustig leven. De eerste fase in de jodenvervolging was de segregatie. Een zichtbare stap was de invoering van de verplichte jodenster in april 1942. De tweede fase was het concentreren van een groot deel van de joden in een drietal wijken in Amsterdam. Bij de volgende stap van de bezetter tegen de joden speelde kamp Westerbork een centrale rol. Midden 1941 was besloten dat in 1942 de Entjüdung van Nederland moest beginnen. De joden zouden naar werkkampen in Oost-Europa worden gestuurd. Voor het zo geolied mogelijk laten verlopen van deze verplaatsing hadden de nazi's een door-gangs-kamp nodig. Voor dit doel was het vluchtelingenkamp in Westerbork uiterma-te geschikt. Eind 1941 werd het besluit genomen Westerbork voor deportatiedoeleinden gereed te maken. De kosten, zoals uitbreiding met 24 grote barakken, werden betaald met in beslaggenomen joodse vermogens. Wat er werkelijk met de joden zou gaan gebeuren werd besproken op de Wannseeconferentie op 20 januari 1942. Daar viel het besluit tot een systematische, grootschalige en industriële wijze vermoorden van alle joden in Europa.

Op 1 juli 1942 werd kamp Westerbork overgenomen door de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD. De nieuwe naam gaf aan welke functie het moest verrichten: Polizeiliches Judendurchgangslager. Alle joden in Nederland zouden van hieruit moeten worden gedeporteerd. Het kamp was als het ware een sluis in het Duitse systeem. Vanuit Berlijn werd doorgegeven hoeveel joden er op een bepaalde dag op transport moesten worden gesteld. Zij werden geput uit het reservoir dat doorvoerkamp Westerbork was. Het was voor de nazi's zaak het bevolkingspeil van dit kamp op minimaal beno-digde hoogte te houden om op elk moment het gevraagde 'transportmateriaal' te kunnen leveren.

Organisatie - De leiding van het kamp was sinds oktober 1942 in handen van SS-Ober-sturmführer Albert Konrad Gemmeker. Zijn voorgangers voldeden niet aan de gestelde eisen. De leiding in Berlijn wilde de joden zo snel en geruisloos mogelijk deporteren. Het harde optreden van de eerste commandanten riep teveel weerstand en onrust in het kamp op. Gemmeker daarentegen stelde er een eer in het Durchgangslager perfect te doen functioneren, zonder wrijving, zonder incidenten. Hij kwam naar voren als een keurige heer, die de joden correct behandelde. In de dagelijkse gang van zaken greep hij nauwelijks in. Zijn voornaamste zorg was het voldoen aan het wekelijks te leveren aantal joden. De organisatie daartoe liet hij over aan gevangenen.

Reeds in de tijd van het vluchtelingenkamp was er een kamporganisatie opgezet door de Duitse joden. Deze Alte Lagerinsassen bleven de overhand houden in de kamporganisatie. Als een vorst binnen het kamp functioneerde Kurt Schlesinger. Hij was de eerste Dienstleiter omdat hij de leiding had over de belangrijkste afde-ling: de administratie. Hier werden de transportlijsten samengesteld. Zolang de joodse kampstaf zich hield aan het door Gemmeker doorgegeven aantal te deporteren mensen was hun macht over de medegevangenen zeer groot. En waren zij in staat anderen in bescherming te nemen. Er was een grote mate van afstand tussen hen die een functie hadden en de massa. Men voelde de afstand en gedroeg zich dienovereenkomstig: kamparistocratie tegenover transportmateriaal. Doordat het overwegend Duitse joden waren die in de kampleiding zaten was de animositeit tussen Alte Lagerinsassen en Nederlandse gevangenen groot.

De kamporganisatie kende vele afdelingen. Er was een uitgebreide administratie, waar het bevolkingsregister van het kamp werd bijgehouden. Hier moesten de nieuw aangekomenen zich melden en werden ze ingeschreven. Tot november 1942 hadden zij een vermoeiende tocht van 5 km vanaf het station in Hooghalen achter de rug. Na inlevering van geld en kostbaarheden bij de door de nazi's geconfisqueerde joodse bank Lippmann, Rosenthal & Co. konden de pas geregistreerden de hun toegewezen woonruimte opzoeken. Een van de afdelingen was de Ordedienst. Deze kamppolitie was belast met de bewaking van de binnen het kamp gelegen strafbarakken en moest zorgen voor rust en orde. Als er transporten vertrokken moesten de leden van deze dienst meehelpen. Dit verklaart de naam Joodse SS die sommi-gen hen gaven. Deze kamporganisatie werkte voortreffelijk. Dankzij het systeem van verdeel en heers waren er weinig nazi's nodig om de deportatie van joden te regelen. Velen hebben echter weinig weet gehad van deze organisatie. De meeste gevangenen werden na slechts enkele uren, dagen of weken verblijf in Westerbork doorgestuurd.

Dagelijks leven - Het drinkwater in het kamp was slecht, het voedsel over het algemeen redelijk goed en voldoende. Bovendien konden van buiten het kamp voedselpakketten worden ontvangen en was er een goed gevulde kantine en een nog beter bevoorraad Lagerwa-renhaus. In deze Lawa kon men met speciaal kampgeld inkopen doen. Dit geld werd verkregen bij inlevering van courant geld. De behuizing was hoogst onvoldoende. Slechts enige honderden bevoorrechten - in het bezit van een functie - deelden huisjes met elkaar. Alleen de dienstleiders hadden een kleine woning voor zichzelf. Bijna alle gevangenen werden ondergebracht in barakken, waarin mannen en vrouwen gescheiden van elkaar sliepen. De barakken stonden propvol met ledikanten, steeds drie boven elkaar. In deze barakken was geen privacy en altijd drukte en lawaai. Het leidde tot veel onderlinge irritaties. Vooral in tijden van razzia's waarin grote aantallen naar het kamp werden gestuurd was de toestand bijna onhoudbaar. Dit was o.a. het geval in de herfst van 1942. Voor vele gevangenen was er werk: in de keuken, in de zieken-barakken, maar ook in werkplaatsen of bedrijfjes. Zo waren er een lompensorteerderij, een naai- en schoenenatelier, een werkplaats voor bewerking van afval en een vliegtuigsloperij. Ook werd er - onder toezicht van Nederlandse marechaussees - gewerkt op boerderijen in de omgeving van het kamp of op de eigen kampboerderij.

Men werkte veelal van 7 tot 12 uur en van 2 tot 7 uur. Tussen de middag werd bij de centrale keuken eten gehaald en na 7 uur 's avonds weer. 's Avonds en zondags was men 'vrij'. Een vrijheid die veelal bestond uit doelloos rondlopen en eindeloze gesprekken voeren over het verleden. Maar ook uit speculeren op wat de toekomst brengen zou en vooral uit pogingen ondernemen vrijgesteld te worden van transport. Voor wie het wilde was er ook ontspanning: muziek, ballet, toneel, cabaret en sportwedstrijden. Kleine kinderen werden overdag in één van de ba-rakken in een crèche beziggehouden. Oudere kinderen, van 6 tot 15 jaar, moesten naar school. In het begin was er één schooltje in het kamp, later kwam er nog één bij.

Eén van de kinderen die niet naar deze school is geweest was Anne Frank. In augustus 1944 werd Anne met de andere onderduikers na verraad en ontdekking overgebracht naar het kamp Westerbork. In Westerbork behoorde de familie Frank, omdat zij door onder te duiken de Duitse regels overtreden hadden, tot de strafgevallen. Dit hield in dat zij in de strafbarak werden ondergebracht. Een gevangenis binnen een kamp. Deze strafgevallen kwamen ook als eersten in aanmerking om op transport gesteld te worden.

Systeem van de valse hoop - Westerbork leek in sommige opzichten op een gewone Nederlandse stad in bezettingstijd. Er werden kinderen geboren en er gingen mensen dood; er werden huwelijken gesloten en echtelijke en burenruzies uitgevochten. Om te trachten het leven een zo'n normaal mogelijke gang te laten gaan, stimuleerde de kampcommandant ontspanningsmogelijkheden. Dit uiteraard ook voor zijn eigen verstrooiing. Kamp Westerbork had enige jaren een uitstekend cabaret. De Bühnegruppe kreeg vele faciliteiten om bonte avonden met cabaret, koor, orkest en ballet te organiseren. Daarnaast vonden er toneelvoorstellingen en muziekuitvoeringen plaats. Ook werden er sportwedstrijden gehouden: voetballen, atletiek en boksen. Het kunnen deelnemen aan dergelijke activiteiten was niet onbelangrijk, het gaf voorlopig vrijstelling van transport.

Dat de nazi's er veel aan gelegen was het beeld te wekken dat zij het met de joden goed voor hadden, blijkt het meest duidelijk uit de aanwezigheid van een ziekenhuis in het kamp. Een ziekenhuis dat goed geoutilleerd was en beschikte over vele medische specialisten. Op zijn hoogtepunt had het 1.725 bedden, 120 artsen en meer dan 1.000 mensen personeel. Men deed zijn uiterste best de patiënten in leven te houden en te genezen. In het kamp was alles er op gericht de joden de indruk te geven dat men naar werkkampen in Oost-Europa zou worden ge-stuurd. Uit kampen als Auschwitz kwamen dan ook wel eens brieven, waarin gemeld werd dat er hard gewerkt moest worden, maar dat men het goed maakte.

Twijfel kwam er als er treinen vertrokken met alleen ouden van dagen, zieken of kinderen. Ook gingen er wel geruchten door het kamp dat de nazi's weinig goeds in de zin hadden. Vooral de gevluchte Duitse joden hadden weinig vertrouwen in hun bedoelingen. Doch dat hen het ergste te wachten stond, geloofden weinigen. Ook al omdat men niets concreets van Polen wist. De angst om gedeporteerd te worden was evenwel permanent. Het besef van een naderend onheil verklaart het wanhopig pogen om aan de deportaties te ontsnappen. Door zich aan arbeid vast te klampen in de hoop daardoor onmisbaar te zijn. Door het verkrijgen van functies, die vrijstelling van transport gaven. En bovenal door het bemachtigen van een stempel.

In de loop van 1942 voerden de nazi's een systeem van onderscheidingen in door de joden op hun persoonsbewijzen stempels te verstrekken. Deze stempels gaven bis auf Weiteres uitstel van deportatie. Ook het plaatsen van de naam op lijsten leek uitzicht te bieden. Ook het geringe aantal ontvluchtingen uit het kamp (enkele honderden) heeft te maken met het systeem van de valse hoop. Mogelijkheden om te vluchten waren er zeker. Niet alleen werkten velen bij boeren in de omgeving, waarbij weinig bewaking aanwezig was, ook kon men voor allerlei opdrachten naar elders worden gestuurd. Maar dan bleven wel een aantal familieleden in het kamp achter. In geval van ontvluchting gingen zij of mensen uit de barak van de vluchteling als strafmaatregel op transport! Dat weerhield de meesten, zoals ook de gedachte dat men niet wist waarheen te gaan. De fatsoenlijke behandeling door de nazi's, het stelsel van vrijstellingen, het ziekenhuis hadden echter geen ander doel dan het scheppen van illusies. Uiteindelijk bleek bijna ieder toch transportfähig.

Transporten - Kamp Westerbork was een deportatiemachine. Het leven werd er van week tot week beheerst door het transport. Met steeds de vraag of men zelf zou worden weggevoerd. Op 15 juli 1942 vertrok vanaf het station in Hooghalen (vanaf begin november vanuit het kamp) de eerste deportatietrein. Het transport van deze en de volgende dag omvatte 2.030 mensen, waaronder weeskinderen. Tot 12 oktober 1942 vertrokken 24 treinen met 23.700 joden. Zij allen verbleven slechts korte tijd in Westerbork, sommigen alleen om geregistreerd te worden. Vanaf begin februari 1943 was er een wekelijks ritme: iedere dinsdag vertrok een trein met gemiddeld 1.000 personen. Er werd bijna alleen gebruik gemaakt van goederenwagons.

Om onnodige onrust te voorkomen werd pas enkele uren voor vertrek bepaald wie op transport werd ge-steld. Men mocht een beperkte hoeveelheid bagage meenemen. Allen zaten opgepakt op de grond in een wagon, met in de hoek één tonnetje voor de behoeften. In de andere hoek stond een ton met water gevuld. Eten werd onderweg niet verstrekt. De bestemming was Auschwitz of, gedurende enige maanden in 1943, Sobibor. In enkele gevallen Theresienstadt of Bergen-Belsen. Het laatste transport vertrok op 13 september 1944. Het voerde onder meer 77 ontdekte ondergedoken kinderen weg. Meer dan 100.000 mensen waren door 93 treinen vanuit kamp Westerbork gedeporteerd. Onder hen ook 245 zigeuners. 

Toen het kamp op 12 april 1945 werd bevrijd waren er nog 876 gevangenen. Uit Westerbork gedeporteerd - overlevenden:

Auschwitz 58.380 854 Sobibor 34.313 18

Theresienstadt 4.894 ± 1.980

Bergen-Belsen 3.751 ± 2.050

Buchenwald en Ravensbrück 150 < 10

 

Kamp Westerbork na 1945 - Op 12 april 1945 bevrijdden Canadese militairen kamp Westerbork. Enkele weken later kreeg het kamp een nieuwe bestemming en andere bewoners. Op 26 april 1945 kwam het eerste transport NSB'ers kamp Westerbork binnen. Het was als vanzelfsprekend dat het kamp na de bevrijding in gebruik werd genomen als interneringskamp. De overgang naar 'de nieuwe bewoners' verliep soepel. Aangezien de joodse kampgevangenen niet direct konden vertrekken werden zij ingezet bij het functioneren van het nieuwe kamp. Pas in de zomer verlieten de laatste joden Westerbork.

Kamp Westerbork was een der grootste interneringskampen voor NSB'ers en anderen die verdacht werden van collaboratie met de bezetter. In september 1945 zaten er bijna 8.000 mensen gevangen. Het eerste halfjaar was voor de politiek gedetineerden een ware verschrikking. Er was sprake van onvoldoende voedsel en een zeer slechte medische zorg. Ongeregeldheden, mishandelingen en wantoestanden deden zich voor. In 1948 kwam een einde aan de interneringsperiode van het kamp. De bijzondere rechtspleging werd afgesloten. Gratiëring als gevolg van het vijftigjarig regeringsjubileum van de koningin deed de laatste gevangenen ontslaan. Het ministerie van Justitie kwam daarna met de gedachte een gedeelte van het kampterrein als varkensmesterij te verhuren. Ook sloop behoorde tot de opties.

Van beide plannen kwam niets terecht toen een nieuwe beheerder zich aanmeldde. Het ministerie van Oorlog kon het terrein als militair kampement ten behoeve van herhalingsoefeningen gebruiken. Na een klein jaar vertrokken de militairen weer en kwam kamp Westerbork leeg te staan. Niet voor lang. In juli 1950 werd het kamp onder de naam 'De Schattenberg' opvangkamp voor gerepatrieerden uit het voormalig Nederlands-Indië. De schok was voor deze Schattenbergers groot: er was prikkeldraad en er waren barakken. Desondanks werd het al snel een dorp op zich. De kinderen gingen naar scholen in de omgeving, er kwamen cursussen voor vrouwen, de toko ging open en tal van activiteiten werden georganiseerd. Ook werden de barakken vertimmerd, zodat families hun eigen kamertjes konden krijgen.

Toch was alles slechts van korte duur. Na driekwart jaar moesten de Indische Nederlanders het opvangkamp verlaten om plaats te maken voor de volgende groep bewoners. Op 22 maart 1952 kwamen de eerste ex-KNIL-militairen van Molukse afkomst met hun gezinnen het kamp binnen. In grote lijnen verschilde het woonoord Schattenberg van de Ambonezen weinig van kamp Westerbork uit de oorlogsperiode. Meer dan 3000 Molukkers zouden er komen te wonen, in een besloten en als veilig ervaren samenleving die weinig met de buitenwereld te maken had. Hoewel hun verblijf tijdelijk zou zijn, was de woonoordperiode de langste van dit kamp.

Vanaf het einde van de jaren '50 was het beleid van de overheid gericht op integratie. Dit werd kracht bijgezet door geen onderhoud meer te plegen. Aan de ba-rakken werden alleen nog de hoogst noodzakelijke herstelwerkzaamheden verricht, het kwam neer op het regen- en windvrij hou-den. Het gevolg was dat de veelal reeds in slechte staat verkerende barakken in snel tempo verkrotten en onbewoonbaar werden. Om het laatste verzet van de Molukkers te breken trad de overheid krachtdadig op en greep in toenemende mate naar het middel van uitzetting op gerechtelijk bevel, zo nodig met behulp van politie. In februari 1971 werd aldus het laatste gezin uit hun huis gezet. Er was een einde gekomen aan de bewoningsgeschiedenis van kamp Westerbork.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork - Met de voorgenomen sluiting van woonoord Schattenberg kwam in de jaren '60 de vraag naar de toekomst van het terrein. Totale afbraak stond vanaf het begin vast. Een aanvaardbare oplossing deed zich voor met de plaatsing van twaalf radiotelescopen. De eerste werd in augustus 1967 geplaatst. Na vertrek van de laatste Molukkers en de sloop van de overgebleven restanten van kamp Westerbork was het enige dat aan deze geschiedenis herinnerde het door oud-kampgevangene Ralph Prins ontworpen en op 4 mei 1970 onthulde monument.

Enkelen, onder wie Manja Pach, waren van mening dat het kampterrein een herkenbare herdenkings- en bezinningsplaats zou moeten worden. Haar initiatief vond weinig weerklank en ondersteuning, het ontmoette eerder regelrechte tegenwerking. Pas begin jaren '80 veranderde het klimaat en schaarde de rijksoverheid zich achter de plannen.

Op de bevrijdingsdag van het kamp, 12 april, werd in 1983 het Herinneringscentrum Kamp Westerbork officieel door koningin Beatrix geopend. Als gevolg van de onverwachte belangstelling was in 1987 een eerste uitbreiding noodzakelijk. De interesse bleef groeien: in 1999 werd een bijna volledige nieuwbouw van het Herinneringscentrum gerealiseerd. In 1992 vond een symbolische herinrichting van het kampterrein plaats met ondermeer ruïneachtige reconstructies. Wezenlijk onderdeel was de plaatsing van 102.000 stenen op de voormalig appèlplaats, als symbool voor alle vermoorde gedeporteerden. Jaarlijks bezoeken 100.000 mensen het Herinneringscentrum Kamp Westerbork en 300.000 het kampterrein. [Mulder]

Literatuur

Websites