Begrip

Houtvester

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Wetenschappelijk gevormde bosbouwkundige, belast met het beheer van een houtvesterij.

Een houtvesterij is een bosgebied, tevens bedrijfseenheid, van een bosbezit van Staatsbosbeheer of Kroondomein, ter grootte van 7.000 à 10.000 ha. De houtvesterij was verdeeld in enkele boswachterijen. De Staatshoutvesters waren niet alleen belast met het beheer van hun houtvesterij, maar ook met publiekrechtelijke taken als Boswet, bosbouwvoorlichting en planologie. Het tweede deel van het woord houtvester vindt zijn oorsprong in het begrip 'foreest' of 'forestis' uit de Frankische tijd en hield het recht in van de landsheer op alle wijzen van gebruik van bossen en woeste gronden. Jacoba van Beieren benoemde in de 13e eeuw al de eerste houtvesters (woudmeesters) om deze rechten uit te oefenen, waaronder die van het jachtrecht niet de geringste was.

De titel van houtvester werd bij Staatsbosbeheer in 1985 afgeschaft; het Kroondomein heeft nog wel zijn koninklijke houtvesterijen met houtvester. Houtvesters hebben bij de aanleg en beheer van de Drentse bossen vanaf het begin van de 20e eeuw een belangrijke rol gespeeld. Drenthe had als houtvesterij: Emmen (1928-1968), Assen (1912-1961, daarna Assen-Oost en Assen-West tot 1968), Drenthe-Noord en Drenthe-Zuid (1968-1979) en Drenthe (1979-1984). Drentse houtvesters, allen Wageningse bosbouwingenieurs, waren: P. Boodt, J.J.M. Jansen, J.L.W. Blokhuis, L.C. Hansen, J.S. van Broekhuizen, A.C.A. Kuhn, C.J. de Lange, F. van Tuijll van Serooskerken en J.J. Kalb.

Literatuur