Persoon
Alle rechten voorbehouden

Jan Hendrik Holwerda

Functie: Archeoloog

Geboren: 1873
Gestorven: 1951

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

(Schiedam 1873 - Nijmegen 1951) Archeoloog.

Vanaf 1903 verbonden aan het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden, aanvankelijk als conservator van de afdeling Nederland, van 1919 tot 1939 als directeur. Na studiereizen in 1904 en 1905 door Drenthe, waarbij de collectie van het Provinciaal Museum in Assen geïnventariseerd werd, startte hij in 1912 met opgravingen in de provincie. In dat jaar werden voor het eerst op wetenschappelijke wijze twee hunebedden (D19 en D20) in Drouwen onderzocht. Vrijwel tegelijkertijd werd onder zijn leiding door zijn medewerker A.E. van Giffen in 1912 een prehistorische veenweg bij Buinen (Buinerbrug) opgegraven. In 1913 werd een onderzoek ingesteld in het langgraf van Emmen (D43, zie ook hunebedden). Holwerda wordt samen met Van Giffen tot de grondleggers van de moderne archeologie in Nederland gerekend. Zijn grootste bijdragen liggen echter op het vlak van de popularisering van dit vakgebied. Na een diepgaand conflict met Van Giffen in 1912 - dat begon met onenigheid over de uitwerking van de opgraving te Arentsburg maar wat vooral te maken had met hun beider tomeloze ambitie - heeft Holwerda, of één van zijn medewerkers, nauwelijks meer onderzoek in Drenthe uitgevoerd (uitgezonderd F.C. Bursch). Drenthe werd het werkterrein van Van Giffen. Deze was als gevolg van het conflict in 1917 naar Groningen vertrokken en werd daar in 1920 directeur van het door hemzelf opgerichte Biologisch-Archaeologisch Instituut.

Literatuur