Begrip
Alle rechten voorbehouden

Heideveld

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Timmer

Topografische kaarten van Drenthe van rond 1900 tonen Drenthe als provincie van veen en grote oppervlakten heide. Deze grote heidevelden vonden gedeeltelijk hun oorsprong in de Bronstijd. Vanaf omstreeks 1500 v.Chr. ontstonden als gevolg van ontginning door de mens open gedeelten in de bossen, welke als akker werden gebruikt. De akkers werden weer opgegeven als de grond uitgeput was; dan werd er een nieuw stuk bos ontgonnen. Op de verlaten akkers ontstond een heidevegetatie. Het bos kreeg geen kans zich te herstellen door de beweiding met vee.

De heidevelden waren geenszins vlakke gebieden. In de laatste ijstijd werd hier en daar het losse zand tot duinen opgeblazen waardoor het latere heideveld heuvelachtig werd zoals bijv. het Ermerzand. Er waren moerassige gedeelten in de heidevelden, zoals destijds in het Aalder veld. Ook kwamen er plassen voor, soms erg diepe. Van het Mekelermeer in het Mepperveld werd vroeger verteld dat het onpeilbaar diep zou zijn.

De heide was een functioneel onderdeel van het dorpsgebied. Op de lage en wat nattere delen, de 'groene' heide werden runderen geweid. De hogere en drogere delen werden door schapen, gehoed door een scheper, begraasd. Om de heide te verjongen zodat er betere graasgelegenheid voor de schapen ontstond, werden delen van het heideveld regelmatig afgebrand. De heide was wingebied voor heideplaggen of -zoden die in de potstallen als strooisel werden gebruikt. Daarna dienden ze als bemesting voor de akkers op de es (zie Plaggenbemesting). Waar het gebied enigszins venig was, werd 'heideturf' (zudden) gestoken die als brandstof werd gebruikt. Door brandstofgebrek gedwongen, heeft men tijdens WO II hier en daar nog heideturf gebruikt.

Ook op andere wijze werd nuttig gebruik gemaakt van de heide. Zo werden van lange struikheide wel bezems en boenders gemaakt, terwijl de Pijpenstrootje uit de vochtige heide hun naam eer aandeden. En tijdens de bloeiperiode werden veel bijenkorven op de heide opgesteld om heidehoning te verkrij-gen. Ten slotte werd er ook nog gejaagd, wettig en onwettig.

 Hier en daar hadden zich mensen op de heide gevestigd en er een onderkomen van heidezoden, een plaggenhut, opgericht. Sommige van die 'nederzettingen' waren berucht om de al dan niet vermeende misdadigheid en wetteloosheid van de aldaar wonende 'outlaws'.

In de 19e eeuw ontstond in overig Nederland het beeld van Drenthe als een provincie van de paarse heidevlakten. Men had het romantische beeld van eindeloze vlakten waarover de scheper met zijn kudde eenzaam ronddwaalde. Aan de einder staken de dorpstorens boven het geboomte uit, als baken voor de reiziger. De schaarse nederzettingen waren door zandwegen over de heide met elkaar verbonden, terwijl aan de rand ervan de hunebedden lagen. We vinden deze romantiek terug in de literatuur, schoolboekjes en schilderkunst. De heide was tot midden van de 19e eeuw markegrond, gemeenschappelijk bezit van de gerechtigde waardeelhouders in het dorp die over dit gebied konden beschikken (zie: Boermarke).

De oppervlakte heide verschilde sterk per dorpsgebied. Nederzettingen als Norg en Bonnen hadden vrij weinig heide, evenals bijv. Zuidlaren en Annen. In de ogen van 18e en 19e-eeuwse heren-hervormers was heide een renteloos bezit. Er werd voortdurend gepleit deze uit de marke te scheiden en te verdelen onder de gerechtigden. Ieder individuele bezitter kon dan naar eigen goeddunken er een andere bestemming aan geven zonder de knellende band van de gemeenschap. De hervormers gingen ervan uit dat de heide de individuele bezitter ervan meer voordeel kon geven. Dit streven liep aanvankelijk dood, maar dankzij een wet die scheiding van gemeenschappelijke markegronden mogelijk maakte, werden rond het midden van de 19e eeuw de meeste marken wettelijk gescheiden en verdeeld. Eenieder kreeg naar waardeel-grootte grond, vooral heide, toegedeeld.

Door gebrek aan middelen, vooral aan meststoffen, werd de heide niet ontgonnen. Een aantal notabelen, zoals de 'Asser Heren' Kniphorst en Oldenhuis Gratama, hadden aardelen verworven en deelden mee in de scheiding. Zij gebruikten hun deel om de hun toegewezen heide geheel of gedeeltelijk te bebossen. Het grootste deel echter bleef ongebruikt liggen en diende hier en daar nog als schaapweide. Op deze wijze kreeg de buitenstaander het beeld van de Drentse heidevlakte.

Rond 1900 nog was het grootste deel ervan nog intact. Zo liep de spoorlijn Meppel-Groningen grotendeels door heidevelden. Vanuit de trein had de reiziger vlak voor Assen in de eerste decennia van de 20e eeuw nog uitzicht op de hutten in het Aardse veld. Pas bij verandering van economie en techniek veranderde dit beeld. Door behoefte aan landbouwgrond en de beschikbaarheid van kunstmest werden stukken heide tot cultuurland ontgonnen (heideontginning). Met behulp van bezielde energie in de vorm van mensen en ossen, en onbezielde zoals stoomlocomobielen, werd de heide op grote schaal ontgonnen. De Heidemaatschappij heeft daar zeer veel aan bijgedragen.

In de jaren '50 van de vorige eeuw zijn de laatste stukken heide opgeruimd. Ze werden tot cultuurland gemaakt, zoals bijv. de heide ten zuiden van Rolde. Andere heidevlakten werden bebost. De Staatsbossen van de boswachterij Gieten-Gasselte-Borger vormen een fraai voorbeeld van bebossing van het Gieter-, Gasselter- en Borgerder Veld zoals die zijn omgevormd tot productiebossen. Wat bleef, waren een paar grote heidegebieden in handen van de overheid, zoals het Balloërveld en het Witterveld, beide militair oefenterrein. Andere heidevelden zoals de Dwingelderveld en Kralingerveld werden natuurterreinen en beschermd gebied. [Timmer]

Literatuur