Begrip

Gemeente

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Den Teuling
Bron: Provincie Drenthe

Zelfstandig onderdeel van de Nederlandse staat met zelfbestuur en autonomie.

Het bestuur van een gemeente berust bij de raad, een burgemeester en twee of meer wethouders. Met de term wordt ook het grondgebied van de gemeente aangeduid. Na de Bataafse revolutie in 1795 mochten de burgers de leden van een nieuw gemeentebestuur of municipaliteit kiezen. Deze bestond uit een wisselend aantal voor een jaar benoemde leden. In een aantal kerspelen bleef daarnaast het kerspelbestuur (volmachten) functioneren, waarbij de taakverdeling tussen beide besturen onduidelijk was. De schulte werd gekozen en meestal ook als secretaris aangewezen.

Op grond van de Staatsregeling van 1798 werden de municipaliteiten vervangen door een plaatselijk bestuur, bestaande uit politiek betrouwbare lieden. In 1802 werden de oude lokale besturen veelal hersteld.

De gemeentewet van 1805 liet de bestaande plaatselijke gebruiken in stand, maar stond nieuwe reglementering toe. Soms werd daarin de bestaande situatie gecontinueerd, maar in Assen en Smilde werd in 1807 een reglement van kracht waarbij het gemeentebestuur in het vervolg door de landdrost (P. Hofstede) kon worden benoemd. Eveneens in 1807 voerde Lodewijk Napoleon het onderscheid in tussen gemeenten der eerste (met minimaal 2000 inwoners) en der tweede klasse. Drenthe had geen gemeenten der eerste klasse. In de gemeenten der tweede klasse kon de oude toestand gehandhaafd worden, maar Coevorden verloor zijn status als stad en aan de enigszins afwijkende positie van Meppel (wel kerspel, maar met enkele bijzondere, aan stadsrechten ontleende voorrechten voor de burgerij) kwam een einde.

Vanaf 1809 werd in gemeenten der eerste klasse de burgemeester door de koning benoemd uit een gekozen raad. Dat gold alleen voor Assen, dat in 1809 stadsrecht kreeg, hoewel het maar 600 inwoners had. De inlijving bij Frankrijk in 1811 had tot gevolg dat het bestuur van de gemeente werd toevertrouwd aan een maire met een of twee adjoints. Frans werd de bestuurstaal. De conseil municipal van acht leden werd wel gekozen, maar mocht niet op eigen gezag bijeenkomen en had als enige taak het goedkeuren van de begroting en de rekening. De door de keizer benoemde maire vervulde verder alle bestuurstaken. Een nieuwe functie was de receveur (ontvanger). De mairies werden na het vertrek van de Fransen in 1813 onder de naam gemeenten gehandhaafd tot 1819. Er waren 29 gemeenten (tussen haakjes de tot dan toe afzonderlijke kerspelen): Anloo, Gieten, Gasselte (met Gasselternijveen), Rolde, Assen, Borger, Odoorn, Coevorden, Zweeloo (met Sleen), Dalen (met Oosterhesselen en Schoonebeek), Emmen (met Roswinkel), Hooge-veen (met Echtens Hoogeveen), Meppel, Nijeveen (met Kolderveen), Beilen, Smilde, Westerbork, Vries, Zuidlaren, Eelde (met Peize), Norg, Roden (met Roderwolde), Diever (met Vledder en tot 1819 Wapserveen), Havelte (vanaf 1819 met Wapserveen), Dwingeloo, Ruinen, Ruinerwold, De Wijk (met Koekange), Zuidwolde. In 1819 werden Peize, Oosterhesselen, Sleen en Vledder verzelfstandigd, in 1884 ten slotte nog Schoonebeek. Aanvankelijk werd de Franse wetgeving gecontinueerd, alleen de voertaal en functiebenamingen werden weer Nederlands.

In 1815 werden Assen, Coevorden en Meppel als stad aangewezen en gereglementeerd, met een getrapt gekozen raad en daaruit drie door de koning (her)benoemde burgemeesters, waarvan er elk jaar één aftrad. In 1824 werden de drie burgemeesters vervangen door een college van burgemeester en wethouders. De stadsbesturen hadden aanzienlijk meer bevoegdheden dan de plattelandsbesturen. De plattelandsgemeenten werden pas in 1819 (Hoogeveen en Zuidwolde in 1820) voorzien van een bij koninklijk besluit vastgesteld reglement op het bestuur ten plattelande. Dit voorzag in een raad van vier personen, onder wie twee assessoren, alle te benoemen door Provinciale Staten. De schulte werd verhollandst tot schout en in 1825 tot burgemeester, die door de koning werd benoemd. In de voormalige heerlijkheden Hoogeveen en Smilde gold nog een hersteld heerlijk recht: in Hoogeveen werd de raad voor de helft door de heer van Echten voorgedragen en de secretaris en ontvanger bij toerbeurt, in Smilde de secretaris en ontvanger bij toerbeurt door de heer van Hoogersmilde.

In 1851 werden de heerlijke voorrechten in Hoogeveen en Smilde en het onderscheid tussen stad en platteland beëindigd bij de invoering van de gemeentewet. Sindsdien werd de burgemeester door de koning benoemd, de secretaris en de ontvanger door de raad, maar als de burgemeester tevens secretaris was, was een koninklijke benoeming noodzakelijk. De laatste gecombineerde functie, in Nijeveen, werd in 1980 beëindigd. Het aantal raadsleden werd afhankelijk van het aantal inwoners. De raad werd en wordt rechtstreeks gekozen, aanvankelijk door een beperkt aantal stemgerechtigden, vanaf 1919 volgens algemeen mannen- en vrouwenkiesrecht.

De autonome taak van de gemeente wordt in het algemeen door de raad uitgeoefend, de medebewindstaak (medewerking aan de uitvoering van rijks- en provinciale regelingen) door het college. Ter voorbereiding van raadsbesluiten en ter advisering en bijstand van burgemeester en wethouders werden raadscommissies ingesteld. De belangrijkste taken zijn vanouds de openbare orde en veiligheid, de regeling van inkwartiering van militairen, toezicht op de volksgezondheid en op openbare wegen en waterlossingen, zorg voor het kerkgebouw en andere gemeentelijke eigendommen. Vanaf 1798 was het kerkgebouw aan de kerkelijke gemeente gekomen, maar de toren bleef meestal eigendom van de burgerlijke. Vanaf 1805 was het openbaar lager onderwijs een gemeentelijke zaak (vanaf 1920 ook de subsidiëring van het bijzonder onderwijs), sinds 1811 de burgerlijke stand en de dienstplichtadministratie.

Bij de gemeentewet van 1851 kreeg de gemeente de bevoegdheid taken op zich te nemen, die niet aan andere overheden waren opgedragen. Dat resulteerde in de aanleg van wegen en andere infrastructuur en in de oprichting van energiebedrijven (gasfabrieken, elektriciteitsvoorziening), waterleidingbedrijven en andere vormen van dienstverlening (zie ook gemeentebelastingen). De armenzorg was aanvankelijk nog aanvullend op de kerkelijke armenzorg, maar deze breidde geleidelijk uit tot de voorzieningen in de Bijstandswet van 1968, waardoor de kerkelijke armenzorg marginaal werd. Sinds de Woningwet van 1901 heeft de gemeente een taak bij de volkshuisvesting en de ruimtelijke ordening, die eveneens sterk is toegenomen.

De gemeente bemoeide zich vooral na 1950 steeds meer met andere zaken, als de economische ontwikkeling, welzijn, cultuur, monumentenzorg en sport. Het gevolg was een toename van taken die door nieuwe wetgeving ook steeds gecompliceerder werd. Schaalvergroting werd als oplossing gezien voor deze problematiek.

In navolging van andere provincies vond ook in Drenthe een gemeentelijke herindeling plaats. In 1998 werden de 34 gemeenten heringedeeld in twaalf meest nieuwe: Aa en Hunze (uit Anloo, Gieten, Gasselte, Rolde), Assen, Borger-Odoorn (uit Borger en Odoorn), Coevorden (uit Coevorden, Zweeloo, Sleen, Dalen en Oosterhesselen), Emmen (waaraan Schoonebeek is toegevoegd), Hoogeveen, Meppel (waaraan Nijeveen is toegevoegd), Midden-Drenthe (uit Beilen, Smilde en Westerbork), Tynaarlo (uit Vries, Zuidlaren en Eelde), Noordenveld (uit Peize, Norg en Roden), Westerveld (uit Diever, Vledder, Havelte en Dwingelo), De Wolden (uit Ruinen, Ruinerwold, De Wijk en Zuidwolde). Aan de vier grotere gemeenten werd bovendien een aantal aangrenzende dorpen toegevoegd. [den Teuling]

Literatuur