Locatie

Duvelskut

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Bakker

Naam van een hunebed, waarschijnlijk te Rolde, vastgelegd in een Latijnse verhandeling uit 1547 over Germaanse stammen in de Romeinse tijd.

Dit is de oudste schriftelijke vermelding van een Drents hunebed. Antonius Schonhovius (Antoon van Schoonhove, ca. 1500-1557), kanunnik te Brugge, betoogde hierin dat dit hunebed de Zuilen van Hercules representeerde die de Romeinse veldheer Drusus in onze streken gezien zou hebben (Tacitus, Germania, hoofdstuk 34).

Tegenwoordig wordt deze identificatie verworpen, men denkt liever aan twee rotsen in de Noordzee of de Atlantische Oceaan, bijv. Helgoland. Schonhovius schreef:

'Ik kan hier zeker niet voorbijgaan aan die Zuilen van Hercules waarvan Tacitus vermeldt dat zij bij de Friezen zeer bekend waren en waarvan de resten [...] in het dorp Roelden niet ver van Coevorden nog steeds te zien zijn, tot verbazing der toeschouwers. De afzonderlijke stenen, die een grote stapel vormen, zijn namelijk zo groot dat geen wagen of schip ze aangevoerd zou kunnen hebben. Ook zijn daar geen steengroeven omdat het land moerassig is, zodat het vermoeden bestaat dat zij aangevoerd zijn door demonen, die daar onder de naam Hercules vereerd werden. Want op de zuilen lagen altaarstenen, bij welke altaren de bewoners levende mensen offerden, vooral vreemdelingen, die zij voordat zij hen slachtten dwongen door de nauwe gang onder de altaarstenen te gaan. En als die er door kropen werden ze met drollen besmeurd en gegrepen. Dat doet men daar nog steeds, vooral als ze geboren Brabanders zijn, waarbij het dikwijls tot moorden komt. De gang zelf heet wegens haar smadelijkheid 's Duvels Kut, dat wil zeggen Daemonis Cunnus. Maar aan het offeren heeft Sint Bonifacius een einde gemaakt'.

Hierna legt hij uit dat dit de door Drusus geziene Zuilen van Hercules moeten zijn. Waarschijnlijk ontleende Schonhovius deze passage aan een nu verloren gegane Noord-Nederlandse oertekst. Deze was ook bekend aan de in de Zuid-Nederland en Spanje werkzame Friese geleerde Joachim Hopperus (Sneek 1523 - Madrid 1579), die de Zuilen intekende op zijn kaart van Frisia Antiqua (Nederland boven de rivieren) in de Romeinse tijd (de vroegste kaart van dit soort), in 1559 door Jacob van Deventer in het net getekend en in 1579 door Abraham Ortelius gedrukt (Theatrum orbis terrarum). In Noord-Drenthe staan daar twee zuilen met bijschrift Columnae Herculis, Duuels Cutz hodie, 'Zuilen van Hercules, nu Duvels Cutz'. In 1570 had Ortelius al in de eerste editie van Theatrum de naam Duvels kutte voor het eerst in druk vermeld op een kaart van de drie noordelijke provincies en Oost-Friesland.

Op manuscriptkaarten van de Nederlanden die Christiaan s»Grooten vanaf 1568 samenstelde uit Van Deventers kaarten en aanvullende veldwaarnemingen, komt de Duvelskut opnieuw voor, in de meest gedetailleerde versie (Madrid) opnieuw als twee zuilen met een zelfde soort opschrift als op Hopperus' kaart en gelegen ten zuiden van het Taarloër Diep (hunebed D16 te Balloo of toch D17 en D18 te Rolde?). Tot ongeveer 1635 blijft de Duvelskut op kaarten van Drenthe staan, in de literatuur wordt er langer over gediscussieerd. [Bakker]

Literatuur