Locatie

Drentsche Aa

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Kalb

Ook: Drentsche A, Drentse Aa, Drentse A

Meest gave laagland-bekenstelsel van Nederland, beslaat een stroomgebied van ca. 30.000 ha.

Van de oorsprong op het Drents plateau tot vrijwel de gehele benedenloop ligt dit stelsel van beken in Drenthe; een klein stuk benedenloop ligt in Groningen. Het bekenstelsel heeft op een hoogte van ruim 16 m +NAP in het Zwiggelterveld zijn oorsprong. Vandaar voert de beek zijn water naar het noorden toe af, om uiteindelijk op een hoogte van 0,65 m +NAP bij de Witte Molen in de polder Glimmen uit te monden in het Noord-Willemskanaal. Over een afstand van 28 km wordt daarbij een hoogteverschil van 17 m overbrugd. De beek wordt telkens vernoemd naar het dorp, waar hij langs stroomt. Van zuid naar noord aldus: Amerdiep, Deurzerdiep, Loonerdiep, Taarloosche Diep, Oudemolense Diep, Schipborgerdiep, Westerdiep om als Drentsche Aa in het kanaal uit te monden.

Vóór de aanleg van het Noord-Willemskanaal stroomde het water van deze Diepen via het Hoornse Diep en Groningen naar het Reitdiep, om uit te monden in de Lauwerszee. Tegenwoordig is de afwateringsrichting naar het oosten afgebogen: via het Noord-Willemskanaal en Eemskanaal wordt uiteindelijk bij Delfzijl op de Dollard geloosd.

In het hoge Drentse gebied voegen zich op beide flanken van de beek zijdiepjes aan de hoofdstroom toe: het Anderse Diep, dat via Rolderdiep en Gasterense Diep bij Oudemolen zich bij de hoofdstroom voegt. Het Rolderdiep ontvangt op zijn beurt weer water uit het Scheebroekerloopje. Verder stroomafwaarts, halverwege Oudemolen en Schipborg, komt uit het zuidoosten het Anloërdiepje in de hoofdstroom uit. Op de westflank zijn het wat kleinere stroompjes die erbij komen: de Ruimsloot vanuit Geelbroek, het Anreperdiepje bij Anreep en ten slotte het Zeegserloopje bij Zeegse. Al deze loopjes, diepjes, diepen en de hoofdstroom hebben oorspronkelijk een vergelijkbare karakteristiek van bovenloop, middenloop en benedenloop.

De bovenloop is een smal, snelstromend beekje in een smal beekdal, soms met bronnen. Middenloop: de beek is wat breder met een breed glooiend beekdal en stroomt minder snel. Benedenloop: brede beek, lagere stroomsnelheid en een vlakker, vrijwel onzichtbaar beekdal. Het zal duidelijk zijn, dat de ecologische omstandigheden op dwarsdoorsneden van boven-, midden- en benedenloop verschillend zijn. Dat levert ook karakteristieke verschillende levensgemeenschappen op.

Ook door de stroming zijn er in de beek diverse omstandigheden wat betreft bodemmateriaal, voedselrijkdom, stroomsnelheid, lichtinval. Dat levert verschillende levensomstandigheden op voor organismen die in de beek leven. Karakteristiek voor laaglandbeken is hun geringe stroomsnelheid (gem. 20, max. 80 cm/sec). Daardoor vinden ze meanderend hun weg. Hun voeding ontvangen ze van water dat uit de omringende hogere gronden toevloeit.

Het bijzondere van de Drentsche Aa is dat er sprake is van verschillende watertypen: oppervlaktewater, afkomstig uit neerslag en kwelwater uit ondiepe en diepere bodemlagen dat direct in de beek terechtkomt; er kwelt ook water omhoog in de graslanden langs de beek. De kwelstroom kan zo sterk zijn, dat er veenvorming plaatsvindt op de plaats, waar dit water uittreedt. Op zijn weg door de bodem wordt het water verrijkt met verschillende elementen als ijzer en carbonaten (kalk).

Deze situatie levert bijzondere plantengroei op in deze beekdalgraslanden. Doordat deze vaak nat en drassig waren, bleken ze ongeschikt voor beweiding en werden ze door de boeren vooral gebruikt voor de winning van hooi (hooilanden). Daardoor ontstond er een bepaald evenwicht tussen door het water aangevoerde voedingstoffen en de afgevoerde voedingsstoffen via het hooi. Dit ging eeuwenlang vrijwel ongewijzigd zo door. Hierdoor ontwikkelden zich deze graslanden tot bloemrijke hooilanden, met een hoge natuurwetenschappelijke waarde.

Die werd zodanig belangrijk gevonden, dat deze percelen op het zgn. Aankoopplan van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen werden geplaatst. Ze werden aangekocht door Staatsbosbeheer, die ze als natuurreservaat in beheer nam. De eerste aankopen in 1956 betroffen graslandpercelen in de Burgvallen ter grootte van ca. 60 ha. Later werden de aankopen uitgebreid.

Om de natuurwaarden in stand te houden, wordt nog steeds een beheer gevoerd, ontleend aan dit landbouwkundige gebruik: maaien en afvoeren van gras. Tegenwoordig gebeurt dat met aangepaste machines, maaiers op rupsbanden, die een grote draagkracht hebben.

Rond 1900 stroomden alle diepjes in een vrij open landschap, 's Zomers van bovenaf gezien als groene linten in een grote paarse heide met op enige afstand van de beek de dorpen, omringd door essen. De veldgronden waren in gemeenschappelijk gebruik; de groenlanden kenden vanaf de 17e eeuw individuele eigenaren. De perceelsgrenzen werden aangeduid met houtwallen, die dwars op de stroomdraad van de beek liepen en vanaf het veld tot halverwege het beekdal. Ook op de grens van essen en veldgronden werden eikenbossen en houtwallen geplant. Dit verhinderde het vee om op de akkers te grazen.

Die karakteristiek van esdorp, essen, esrandbosjes en houtwallen is nog steeds goed herkenbaar. Op een betrekkelijk klein oppervlak komt in de gehele streek een variatie aan milieus en landschapstypen voor, zoals die elders in de provincie niet wordt aangetroffen. Bovendien is het bekenstelsel van de Drentsche Aa in zijn grote verscheidenheid niet alleen uniek voor Drenthe, maar voor geheel Nederland.

Van de 1400 soorten hogere planten, die Nederland telt, komen er in het Drentse Aa-gebied ruim 850 voor. Als floristische bijzonderheden kunnen nog worden vermeld de Zwarte rapunzel en de Schedegeelster, op verschillende plaatsen in het gebied. Juist die samenhang in het landschap, in combinatie met de hoge natuurwaarden in de beekdalen, inspireerde Staatsbosbeheer in de jaren 1960 om zich in te zetten voor behoud van het gebied in zijn geheel: het Stroomdallandschap van de Drentsche Aa.

De ideeën vonden een neerslag in het rapport Beschrijving en gedachtenplan met betrekking tot het beheer en agrarisch gebruik, de landschappelijke- en recreatieve ontwikkeling (1965). De plannen kwamen erop neer dat binnen dit landschapsgebied de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en recreatieve belangen zouden moeten prevaleren. Daartegen ontstond heftig verzet omdat het primaat van de landbouw verloren dreigde te gaan. De discussies leidden in1973 tot de vaststelling door Provinciale Staten van het Facet-Streekplan voor Natuurschoon en Recreatie, waarin de begrenzing van het stroomdallandschap planologisch werd vastgelegd.

Omdat toen ook al een ruilverkaveling (Rolde-Anloo) in voorbereiding was genomen, werd uiteindelijk een regeling getroffen, waarbij de overheid de kosten van niet-landbouw belangen ging dragen en de boeren voor het achterwege blijven van landbouwkundige verbeteringen schadeloos werden gesteld.

De Drentsche Aa zou verbeterd blijven tot bij Loon. Daar werd een afleidingskanaal gegraven naar het Noord-Willemskanaal en via het Verdeelwerk zou, bij voldoende aanvoer, er 3 m3/sec in de onverbeterde loop van de beek gestuurd blijven worden. In feite was hier sprake van een relatienota reservaat 'avant la lettre', waarin voor (Staats)aankopen een afzonderlijk budget was gereserveerd. Binnen de voorgestelde grens lag ca. 4000 ha landbouwgrond; binnen de uiteindelijke grens ruim 3000 ha.

Tussen 1965 en 1995 groeide het areaal verworven gronden door Staatsbosbeheer van enkele honderden tot ruim 2300 ha. Vooral gronden direct grenzend aan de verschillende diepjes werden verworven. Deze eigendommen lagen en liggen als een mozaïek tussen agrarisch gebruikte gronden. Pas als een voldoende groot aaneengesloten areaal is verworven, kan daarop een aangepast beheer worden ingesteld. In de middenloop van de Drentsche Aa - globaal het gebied tussen Schipborg, Loon en Anderen - is die situatie vrijwel bereikt. Maar dat betekende nog allerminst, dat de beoogde waarden konden worden gerealiseerd.

Andere factoren bleken ook een belangrijke rol te spelen, met name op gebied van de waterhuishouding. Na studie in opdracht van Staatsbosbeheer verscheen in 1993 'Van Stroomdal naar Droomdal', integratie van hydrologisch en ecologisch onderzoek ten behoeve van het beheer in de Drentse A'. Dit rapport leverde belangrijke nieuwe inzichten op. Zo werd duidelijk, dat de waarde van de vegetaties, binnen de grenzen van het Stroomdallandschap, in belangrijke mate worden bepaald door de hydrologische condities in de ondiepe en diepere bodemlagen tot ver buiten de stroomdalgrenzen. Die relaties zijn zowel in kwalitatief als in kwantitatief opzicht vastgesteld. Dit inzicht leidde er toe, dat de begrenzing van de Gebiedsvisie Natuur, Bos en Landschap, Drentse Aa, de gezamenlijke visie van de provincie Drenthe en het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Noord (1995) ruim gekozen is. Er is daarin gekozen voor de grens van het watersysteem Drentse Aa, omdat daarbinnen alle voorwaarden voorkomen, die bepalend zijn voor de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het Drentsche Aa-gebied.

Dat stroomgebied beslaat een oppervlakte een kleine 40.000 ha en omvat o.a. ook grote delen van de boswachterijen Gieten, Borger Schoonloo en Grolloo. en veel landbouwgronden daarboven. Behalve van groot belang voor natuur en landschap is ook, vanwege de ligging t.o.v. Groningen en Assen, de recreatie een belangrijke functie.

In 1991 werd door het Instituut voor Bos en Natuuronderzoek, in opdracht van Staatsbosbeheer, een recreatieonderzoek verricht naar 'het recreatief gebruik van het Stroomdallandschap Drentsche A'. Het middengebied aldaar bleek jaarlijks ruim 700.000 bezoekers te trekken, en bovendien een ander publiek dan wat naar de grote bosgebieden trekt, n.l. meer rustzoekers en natuurminnaars. Dit onderzoek maakte tevens duidelijk, dat de recreatieve betekenis van het gebied niet zozeer door de natuurwaarden wordt bepaald, als wel door de beleving van het landschap (afwisseling, intimiteit, grootsheid, herkenbaarheid).

 In de laatste jaren is het denken over de ontwikkeling van het gebied in een stroomversnelling terechtgekomen, toen de staatssecretaris van LNV instemde met de voorstellen van een speciale commissie, om in het gebied te starten met een 'Nationaal Park met verbrede doelstelling'. De mogelijkheden die een Nationaal Park biedt - waar het uitsluitend gaat om natuurterreinen - zijn onvoldoende voor een gebied als de Drentsche Aa, waarin juist de vervlechting van natuurterreinen, landbouwgronden, houtwallen en bosterreinen zo karakteristiek is. De uitbreiding van Nationaal Park naar Nationaal Beek- en Esdorpenlandschap is dan ook uniek en doet recht aan de feitelijke situatie. Door de minister van Landbouw werd begin 2003 het Overleg Orgaan geïnstalleerd voor dit Beek- en Esdorpenlandschap. Behoud door ontwikkeling is het motto, waarmee in dit Overlegorgaan verder wordt gewerkt om de vele belangen in het Drentsche Aa-gebied integraal te behartigen. Het Beheers- en Ontwikkelingsplan is de daarvoor door alle betrokken partijen gekozen basis. [Kalb]

Literatuur