Organisatie
Alle rechten voorbehouden

Drents Landbouw Genootschap

Organisatie type: Landbouworganisatie

Datum:

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

M.A.W. Gerding

(DLG) Organisatie ter bevordering van de landbouw in Drenthe.

Opgericht in 1844 door de bestuurlijke en grondbezittende elite van de provincie. Het betrof leden van families als Van Lier te Assen, Lunsingh Tonckens uit Westervelde, Kymmells te Havelte, Smilde en Roden, en Alinghs, Homans, en Van Holthe tot Echtens. Binnen de Drentse context waren zij 'herenboeren' die begaan waren met boerenbedrijf en het platteland. Zij waren op de hoogte van de bedrijfsvoering op de boerderij en de problemen daarvan.

Het doel van de vereniging was de bevordering van de landontginning en de landbouw (daaronder begrepen de veeteelt, houtteelt, tuinbouw en fruitteelt). Daartoe zouden onderlinge mededelingen, het inwinnen van inlichtingen, beantwoorden van vragen, stimuleren van proeven en het bestuderen van publicaties worden ingezet. Alle ingezetenen of grondbezitters van Drenthe konden lid worden. Eerste voorzitter was jhr. Rudolph Arent van Holthe tot Echten, burgemeester van Hoogeveen en lid van Gedeputeerde Staten. Hij zou dertig jaar voorzitter blijven. Andere bestuursleden in die eerste decennia waren lieden als H.J. Carsten, notaris te Hoogeveen en president-commissaris van de Drentsche Kanaal Maatschappij, lid van Provinciale Staten en vanaf 1875 lid van de Eerste Kamer, de vervener Willem Jan Boelken, burgemeester van Sleen, later van Smilde, lid van G.S. en Jan Alberts Meursing, lanbouwer te Anloo, lid van G.S. en burgemeester van Anloo. Lange tijd zou dat het beeld blijven.

Nog in 1893 werd het voorstel van rijkslandbouwleraar Hasselman om de bestaande en nog op te richten dorps-landbouwverenigingen in Drenthe onderafdelingen te maken van het DLG afgewezen. Toch groeide de vereniging gestaag. In 1887 waren er 1218 leden, in 1900 1556 en in 1910 2011. Het zuidwesten van de provincie was daarbij het best vertegenwoordigd met de helft van het totaal aantal leden.

Belangrijke activiteit van het DLG was het organiseren van landbouwtentoonstellingen, vooral voor keuring van vee. De eerste werd gehouden in 1845 in Dieverbrug, waar 7 paarden, 10 stieren en 11 koeien ter keuring werden aangeboden. Na 1853, toen er vier afdelingen waren gevormd werden jaarlijks in elk daarvan tentoonstellingen gehouden. Hier ligt de basis van de Noordenveld, Middenveld, Zuidenveld, Oostermoer en Westhoek tentoonstellingen die de gehele 20e eeuw tot het vaste Drentse zomerprogramma zouden behoren.

In 1896 werd een paardenstamboek opgericht dat er veel toe bijgedragen heeft dat de paardenfokkerij op een hoger plan kwam te staan. In het verlengde van de voorlichting lag het landbouwonderwijs en het is daar dat het DLG gedurende zijn hele bestaan een grote rol heeft gespeeld.

In 1891 kende Drenthe voor het eerst een rijkslandbouwleraar in de persoon van H.W.S. Hasselman, belast met het inrichten en begeleiden van proefvelden en het houden van landbouwlezingen. Toen hij in 1895 naar Utrecht vertrok werd hij opgevolgd door Jakob Elema, een Groninse boerenzoon, opgeleid in Halle (Dld.) en Wageningen. De verstandhouding met het DLG was goed, al 'zeilde hij niet onder de vlag des Genootschaps', en was hij rijksambtenaar. Toch werd hij pas in 1904 adviserend lid van het hoofdbestuur.

Pas in 1918 werd het voorstel van Hasselman uiteindelijk uitgevoerd en werd het DLG een organisatie van de boeren zelf. Plaatselijke landbouwverenigingen werden massaal lid en het ledental vervijfvoudigde. Het interbellum was voor het Genootschap een moeilijke periode,  door de economische crisis en door de aanvallen die door concurrerende boerenbonden op het DLG en zijn beleid werden genomen. Het gaat dan met name om de Drentsche Boerenbond, later de Nationale Bond Landbouw en Maatschappij. Waar het DLG ca. 8.000 leden had, trok L&M er bijna 10.000. De Christelijke Boeren- en Tuindersbond CBTB (1000), de katholieke Aartsdiocesane Boeren- en Tuindersbond (370) en de Veenkoloniale Boerenbond (600) konden qua ledental hierbij niet in de schaduw staan.

In de gelijkschakeling van WO II kwam het DLG uiteindelijk voor de keuze te staan om net als L&M op te gaan in het nationaal-socialistische Agrarisch Front. Het bestuur was hierover verdeeld en wees uiteindelijk op formele gronden aansluiting af. Op 24 februari 1942 hield het DLG op te bestaan.

Na de oorlog werd de organisatie opnieuw opgericht; eind 1946 werkten er zes personen voor de organisatie en zeven bij het aparte boekhoudbureau dat zich had ontwikkeld toen ook de boeren vanaf 1914 inkomstenbelasting moesten betalen. Deze tak groeide uit tot een echt accountantsbureau dat in 1974 56 personen in dienst had. Door latere fusies ontstond aldus de Noordelijke Accountantsunie. Een andere tak van het werk van het DLG werd de verzekeringsafdeling sinds 1951. Boeren konden terecht voor advies inzake levensverzekering, wettelijke aansprakelijkheid, auto- en trekkerverzekering. In 1957 ontstond aldus een eigen verzekeringsmaatschappij die in 1973 werd omgevormd tot de Coöperatieve Vereniging Verzekeringen DLG met 103 personeelsleden. Een sterke groei zette zich in onder het directeurschap van Karel Christiaan Kolhoop (Hengelo 1928) van 1969 tot 1988, waarbij de omzet groeide van 10 miljoen gulden in 1969 tot 156 miljoen in 1987. DLG Verzekeringen was toen uitgegroeid tot de grootste regionale verzekeringsgroep waarbij niet alleen meer boeren waren aangesloten. In 1991 ontstond uit een fusie met de NOVO uit Zwolle Univé.

Ook het onderwijsterrein groeide sterk. In 1950 waren er inmiddels 21 lagere land- en tuinbouwscholen in Drenthe, die in de decennia daarna sterk in aantal werden teruggebracht. Eind jaren '80 werden deze op aandringen van het Ministerie van Landbouw omgevormd tot scholengemeenschappen, de AOC's (Agrarische Opleidings Centra). Het DLG was ook verantwoordelijk voor het landbouwhuishoudonderwijs in de provincie. Het maximum aantal werd bereikt in 1970 met 13 scholen en zo'n 2300 leerlingen. Ook daar heeft de fusiegolf inmiddels zijn werk gedaan. In 1991 ging de laatste DLG school op in een fusie.

Voorlichting werd na de oorlog een belangrijke tak van activiteit, over grondgebruik, over ruilverkaveling en streekverbetering, over huishoudelijke voorlichting ten plattelande en over agrarisch sociale voorlichting. Het Drentsch Lanbouwblad speelde daarin sinds 1917 een belangrijke rol.

In 1974 telde het DLG 114 afdelingen en 7231 leden. Het DLG is in september 1990 gefuseerd met de Veenkoloniale Boerenbond tot Drents en Veenkoloniaal Landbouwgenootschap, DVLG. Per 1 januari 1993 volgde de fusie met de Groninger Maatschappij van Landbouw tot Noordelijke Land- en Tuinbouworganisatie, per 1 januari 1995 sloten de Christelijke en Katholieke organisaties zich aan en op 1 januari 1999 kwamen Friesland en Flevoland bij de NLTO, die haar hoofdkantoor in Drachten kreeg. Door de terugloop van het aantal agrariërs zijn de landbouworganisaties gedwongen in te krimpen en samen te gaan. Tegenwoordig zijn de boeren benoorden de grote rivieren verenigd in LTO Noord.

In 1994 werd herdacht dat het DLG 150 jaar eerder was opgericht. Als van die periode de balans wordt opgemaakt kan gesteld worden dat het genootschap zich vooral sinds WO I en meer nog na WO II heeft weten te nestelen in het centrum van een belangrijk deel van de Drentse samenleving, in overeenstemming (en soms meer dan dat) met het belang van de agrarische sector. Evenzeer is duidelijk dat die positie sinds de jaren '90 in rap tempo aan belang heeft ingeboet.

Voorzitters:

1844-1875    jhr. R.A. van Holthe tot Echten

1875-1879    jhr. H.G. van Holthe tot Echten

1880-1887    H.J. Carsten

1887-1900    W.J. Boelken

1900-1916    J. Blom

1916-1919    M.H. Gratama

1919-1925    J. Huges

1925-1930    J.L. Nysingh

1930              G. Nijenhuis

1931-1956    H. Meijeringh

1956-1961   G. Nijenhuis

1961-1968   G.M. Lambers

1968-1990    J.L. Nijsingh

NLTO:

1990-2003     A. Lanting

Secretarissen:

1844-1845    B. Verver

1845-1853    J.W.J. baron de Vos van Steenwijk

1853-1855    J.A. Willinge Gratama (waarnemend)

1855-1887    L. Oldenhuis Gratama

1887-1898    M. Oldenhuis Gratama

1898-1899    J.A.R. Kymmell

1899-1905    J.T. Linthorst Homan

1905-1909    J.H. Roessingh

1909-1915    jhr. A.W. van Holthe tot Echten

1915-1919    E. Derks Hzn.

1919-1923    G. Nijenhuis

1923-1927    J. Siebenga (de eerste bezoldigde functionaris)

1927-1930    G. Nijenhuis

1930-1938    J.J. Dijkveld Stol

1938-1947    J. Homan

1947-1955    L.G. Oldenbanning

1955-1957    F.H. Hiddingh

1957-1982    G. Buiter

1982-1994    J. Hidding

NLTO

1994-1999    J.R.A. Boertjens

[M.A.W. Gerding]

Literatuur