Begrip

Belastingen

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Brood

Heffingen door de overheid om te voorzien in de algemene behoeften van de samenleving.

De belastingheffing heeft zich in de loop der eeuwen ontwikkeld van een bede door de landsheer aan zijn onderdanen tot een systeem van heffingen dat toegepast wordt om de overheidslasten te dekken, maar ook om overheidsbeleid vorm te geven. In de Middeleeuwen betaalde de landsheer zijn kosten van hofhouding en bestuur uit eigen middelen, zoals inkomsten uit goederen en rechten. Alleen voor bijzondere gelegenheden (inhuldiging, oorlogvoering) waren de onderdanen verplicht hun landsheer geld te geven. Tot 1522 was de bisschop van Utrecht de landsheer in Drenthe. Hij mocht een bede vragen als tegenprestatie voor de rechtspraak die hij uitoefende. Daarnaast ontving de landsheer andere vergoedingen, zoals de schuldmudden. Deze schuldmudde was een belasting op het waardeel, het gebruiksrecht op woeste grond. Ook de 16e-eeuwse landsheren Karel V en Filips II maakten gebruik van de beden om geld te vragen van de Drenten. Zij begonnen echter ook voorzichtig belastingen te heffen. Bekend en berucht zijn de honderdste, twintigste en tiende penning, die de landvoogd Alva in 1569 in de Nederlanden wilde invoeren. Drenthe kocht deze penningen af met een bedrag van 24.000 gulden ineens.

Nadat Drenthe in 1594 veroverd was en deel van de Republiek der Verenigde Nederlanden werd, moest het ook een nieuw belastingstelsel invoeren. Dit stelsel omvatte hoofdzakelijk de heffing van generale middelen, accijnzen op consumptiegoederen (bier, wijn, granen) en productiefactoren (vee, bezaaide landen). Al spoedig moesten deze uitgebreid worden met een grondbelasting (grondschatting genaamd) en een personele belasting (haardstedengeld). Daarnaast werden regelmatig bijzondere heffingen opgelegd.

De inning van belastingen was geprivatiseerd, aangezien belastingpachters de ontvangst van de generale middelen uitvoerden voor eigen risico. Lokaal was de schatbeurder de belastingontvanger. In 1806 kwam een einde aan deze provinciale belastingheffing door de invoering van een nationaal stelsel, bedacht door I.J.A. Gogel. Onder invloed van de Franse overheersing werd de belastingheffing gemoderniseerd. Na het vertrek van de Fransen legde minister van Financiën J.H. Appelius in 1821 de basis voor onze huidige belastingwetgeving.

In de 19e eeuw streefde de wetgever naar een beteugeling van indirecte belastingen op eerste levensbehoeften. Plaatselijke accijnzen werden uiteindelijk afgeschaft, maar de rijksaccijnzen niet. Aan het eind van de eeuw kwam een soort inkomstenbelasting tot stand die leidde tot een andere verdeling van de belastingdruk. Hoewel de belastingheffing sinds 1806 een nationale zaak was, konden provincie en gemeenten ook lasten opleggen om te voorzien in hun eigen behoeften. Dat gebeurde in de vorm van opcenten op rijksbelastingen door de provincie en door beperkte belastingheffing door de gemeenten (zie: Gemeentebelastingen). Vanaf 1856 mocht de provincie alleen nog opcenten op grond- en personele belasting heffen. Voor gemeenten waren retributies (vergoedingen voor gebruik van gemeentelijke eigendommen en diensten) een belangrijke bron, maar de plaatselijke accijnzen waren lange tijd het meest lucratief. Onder de Gemeentewet van 1851 werden de plaatselijke verbruiksbelastingen geleidelijk vervangen door hoofdelijke omslagen en opcenten op grond- en personele belasting.

In de 20e eeuw noopte de behoefte aan middelen tot de invoering van nieuwe belastingen. In 1917 kwam de voorloper van de huidige vennootschapsbelasting tot stand, in 1934 een omzetbelasting. Na WO II werd de belastingheffing meer en meer geïntegreerd in het algemene sociaal-economische beleid van de overheid. Bevordering van een redelijke inkomensverdeling, conjunctuur en stabiele groei bepaalden mede de belastingheffing. Voor de hedendaagse heffing is de Algemene Wet Rijksbelastingen van 1959 van primair belang. De inkomstenbelasting brengt daarbij het meeste op. Ook de omzetbelasting, die sinds 1969 de naam BTW heeft, is van grote waarde. Provincies en gemeenten hebben nog steeds het recht belastingen te heffen, maar het merendeel van hun inkomsten wordt door het Rijk gestort. [Brood]

Literatuur