Begrip

Beken

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Vegter

Waterlopen, van origine meanderend (kronkelend).

In Drenthe veelal laaglandbeken genoemd vanwege het geringe verval en een geringe stroomsnelheid. Voeren water af uit beekdalen en omliggende hogere gronden van het Drents plateau naar omliggende, lager gelegen gebieden. Het gaat om afvoer van direct afstromend regenwater, maar ook van door de ondergrond toestromend grondwater.

Beken kennen een karakteristieke, aan stromend water gebonden flora en fauna. Naast waterplanten komen libellen voor alsook specifieke vissoorten, kleine waterdieren en waterplanten zoals watervlooien en algen (zie ook: Waterleven). Oorspronkelijk mondden de beken uit in kustgebieden ter hoogte van de vroegere Zuiderzee en de Waddenzee. Tegenwoordig worden veel beeklopen afgesneden en monden ze uit in (boezem)kanalen.

Veel van de beken in Drenthe zijn in meer of mindere mate gegraven. Dit gebeurde om waterafvoer uit van oorsprong aanwezige moerassen te bevorderen. Hierdoor trad enige ontwatering op en werd landbouwkundig gebruik van beekdalen en omliggende gebieden mogelijk. In de tweede helft van de 20e eeuw zijn veel meanderende Drentse beken in het kader van ruilverkaveling rechtgetrokken of genormaliseerd. De waterkwaliteit is in deze periode sterk achteruitgegaan, onder meer door het toegenomen gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen in de landbouw. Daarnaast werden beken belast met ongezuiverd afval- en rioolwater uit bewoonde gebieden. Het voor beken karakteristieke waterleven verdween daarmee grotendeels. Door onder andere de ingebruikname van rioolwaterzuiveringsinstallaties is de waterkwaliteit de laatste dertig jaar weer verbeterd.

De belangrijkste beekstelsels komen voor in Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe en Zuidoost-Drenthe. In Noord-Drenthe zijn het Eelder- en Peizerdiep, de Drentsche Aa en de Hunze de belangrijkste beken. De Drentsche Aa staat bekend als één van de meest gave beekstelstels van Noordwest-Europa. Over grote delen meandert de beek nog, er komt een groot aantal voor beken kenmerkende vissen voor. De waterkwaliteit is nog relatief goed. Vanuit de beek wordt oppervlaktewater ingenomen voor de drinkwatervoorziening van de stad Groningen. In Zuidwest-Drenthe zijn de Vledder- en Wapserveense Aa, de Dwingeler- en Beilerstroom, het Oude diep en de Reest de meest belangwekkende beekstelsels. Hiervan geldt de Reest als een nog relatief waardevolle beek. Dit komt onder meer doordat de Reest op de grens van Drenthe en Overijssel ligt. Geen van beide provincies heeft het initiatief willen nemen de beek te normaliseren en dus kronkelt de beek met de wat overtrokken bijnaam 'Grootvorstin der Drentse Stromen' nog over vrijwel de gehele lengte. In Zuidoost-Drenthe zijn de Geeser- en Westerstroom, de Aalderstroom, de Sleenerstroom en het Schoonebekerdiep de belangrijkste beken. Deze wateren naar het zuiden af richting Overijsselse Vecht. Beken zorgen voor de afwatering van stroomgebieden die onderling worden begrensd door zogenaamde waterscheidingen. Alle regen die in een stroomgebied valt stroomt oppervlakkig of ondergronds af naar het laagste punt en wordt uiteindelijk door de beek afgevoerd. Beken ontspringen van origine bij een bron of vanuit een lage plek in een heideveld (Drentsche Aa) of hoogveen (Hunze, Reest). Ook de Runde is een voorbeeld van een beek die in het hoogveen ontsprong, maar waarvan in het huidige veenkoloniale landschap vrijwel niets meer is terug te vinden.

Er wordt onderscheid gemaakt in bovenlopen, middenlopen en benedenlopen. Bovenlopen zijn meestal kleine waterlopen, met voedselarm en kalkarm water. Middenlopen ontvangen water uit een groter deel van het stroomgebied. Dit betreft zowel oppervlakkig afstromend water als toestromend grondwater (kwelwater). Benedenlopen van beken kenmerken zich naast de toestroming van grondwater door het buiten de oevers treden in natte perioden (inundatie). Dit gebeurde in toenemende mate na de ontginning van hoogveengebieden toen een sterke versnelling van waterafvoer optrad door afname van de sponswerking van de hoogvenen. Sinds kort kunnen grotere afvoerpieken in beken voor komen door klimaatverandering en de daarmee gepaard gaande toename van de neerslag(intensiteit). Benedenlopen konden in vroeger tijden ook te maken hebben met inbraken vanuit zee. Zo kon de Waddenzee bij extreem hoog water via de Hunze landinwaarts oprukken tot aan Zuidlaren en konden lokaal en periodiek brakke omstandigheden ontstaan. Zie ook: Beekherstel. [Vegter]

Literatuur