Begrip

Bankwezen

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Het bankwezen ontwikkelde zich in Drenthe pas in de loop van de 19e eeuw. Alleen Coevorden en Meppel kenden vóór 1800 banken van lening, na 1800 kwam Assen daarbij.

De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen stichtte in een aantal nutsdepartementen een Nutsspaarbank met het doel spaarzin en kansen op maatschappelijke verbetering bij te brengen. In 1837 kwam er een in Assen, in 1865 in Ruinen en in 1868 in Zuidwolde. In Assen werd in 1868 met hetzelfde doel een Hulpbank opgericht, later gevolgd door Gieten.

Naast deze spaarbanken kwamen er banken met andere specialisaties: handels- en hypotheekbanken. Zo was in Assen in 1907 een Handels- en Landbouwbank opgericht als bijkantoor van de regionale bank in Zuid-Holland. Door fusies met commissiehandels in fondsen in onder andere Groningen en Drenthe breidde de bank uit: in 1921 trad E.A. Smidt & Co. in Assen toe. De bank ging in 1930 failliet.

Ook de Nederlandsche Bank had een vestiging in Drenthe. In 1864 opende in Meppel het vijfde agentschap van de Nederlandsche Bank om de omgeving van gereed geld te voorzien. De vestiging bleef er - afgezien van een personele unie met Zwolle tussen 1966 en 1981 - tot 1986. Toen werd het agentschap Meppel gesloten om naar Hoogeveen te verhuizen.

Rond de eeuwwisseling was de landbouwmalaise de reden voor de oprichting van coöperatieve boerenleenbanken en raiffeisenbanken, die de boeren op schappelijke voorwaarden krediet konden verstrekken. Zo telde Drenthe in 1919 52 raiffeissen- en boerenleenbanken. In 1896 richtte het Drents Landbouw genootschap daarvoor een Drentsche Landbouw Credietbank in Hoogeveen op. mede door toedoen van de rijkslandbouwleraar Elema kwamen er in vele plaatsen boerenleenbanken, die de Credietbank van het DLG al spoedig overvleugelden. In Meppel kwam een Coöperatieve Landbouwbank tot stand.

Ook christelijke organisaties richtten kleine spaar- en voorschotbanken op om het midden- en kleinbedrijf met kredieten te helpen. In 1909 kwam vanuit de Christelijke Patroonsvereeniging Boaz te Assen een spaar- en voorschotbank tot stand.

In de 20e eeuw werd het bankwezen gekenmerkt door overnames en fusies, waarbij schaalvergroting en risicospreiding de belangrijkste drijfveren waren. De Spaar- en Voorschotbank Boaz werd in 1963 overgenomen door de Nederlandse Middenstandsbank. Op nationaal niveau gingen de fusies ook door, evenals het proces van branchevervaging. De grote banken traden op als handels-, hypotheek- en spaarbanken tegelijk. Nadat in 1964 de Twentsche Bank was opgegaan in de Algemene Bank Nederland en de Amsterdamsche en de Rotterdamsche Bank als AMRO Bank voortleefden, gingen in 1972 Boerenleenbank en Raiffeisenbank verder als Rabobank. De Bondsspaarbank, die alle Nutsspaarbanken had overgenomen, werd in 1991 als SNS Bank voortgezet.

Literatuur