Locatie

Assen

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

Schaafsma
Schepen in de Drentse Hoofdvaart te Assen met aan de overkant de Vaart N.Z.. Het betreft het olieverfschilderij: Vaart NZ (65.5x56) van Joop Plasmeijer uit de collectie van dhr. Berghuis te Assen. Het is één van een mapje met tien (losse) prentbriefkaarten uitgegeven in het kader van de tentoonstelling Asser Stadsgezichten in NV De Provinciale aan de Torenlaan 20 (van 12 sept. t/m 18 okt. 1992), door Centrum voor Beeldende Kunst Drenthe te Assen. De uitgave is tot stand gekomen dankzij medewerking van dhr. W.H. Berghuis en de kunstenaars. urn:rights:all-reserved

1. Voormalige gemeente, zie: 2.

2. Gemeente in het midden van Drenthe; oppervlakte 82,4 km2, 60.230 inwoners (maart 2003), 696 inwoners per km2 (1999) en 24.939 woningen (2000). Bij de gemeentelijke herindeling van 1998 ontstaan uit:

De gemeente Assen (opp. 55,35 km2) met de stad Assen en de volgende dorpen en gehuchten: Anreep, De Haar, Graswijk, Kloosterveen, Loon, Schieven en Witten. De buurtschappen Aardscheveld, Amelte, Baggelhuizen, 't Broek, Peelo, Steendijk en Vredeveld zijn thans stadswijken. Ten noorden van Assen is de grote groene ruimte door de bouw van de wijken Noorderpark, Peelo en Marsdijk nu ook praktisch verdwenen; alleen het gebied rond Loon (noordoosten) ademt nog een rurale sfeer. Schieven en Anreep (oosten) en Graswijk (zuiden) liggen als buurtschap thans pal onder de rook van Assen. De Haar (zuiden) en Witten (westen) genieten in dit opzicht enige bescherming door de aanwezigheid van het TT-circuit resp. het bosgebied met Pelinckbosch en Witterzomer, de Visvijver Baggelhuizen en twee militaire oefenterreinen, waaronder het Witterveld. Ten noorden van Kloosterveen verrijst in snel tempo een nieuwe grote stadswijk.

- Het zuidelijk deel van de voormalige gemeente Vries met de buurtschappen Heidenheim, Rhee, Ter Aard, Ubbena, Zeijerveen en Zeijerveld. Door deze toevoeging kan Assen in de toekomst verder naar het noorden uitbreiden.

-Delen van de voormalige gemeenten Norg, Smilde en Beilen, n.l. een strook ten oosten van het Tonckensbosch (Huis ter Heide), een gebied tussen Kloosterveen en Bovensmilde (met het westelijk stuk van het Pelinckbosch), het zuidelijk deel van het Witterveld, het Laaghalergroenland en het westelijk gedeelte van de Hooghalerveldkamp. Door toevoeging van het zuidelijk deel van de voormalige gemeente Vries heeft Assen weer agrarische grond binnen de gemeentegrenzen; hierop wordt hoofdzakelijk veeteelt bedreven.

In 1995 heeft het gemeentebestuur van Assen gepoogd ook de rest van de gemeente Vries en voorts de gemeenten Eelde en Zuidlaren d.m.v. de gemeentelijke herindeling bij de hare te voegen. Dit stuitte echter op grote weerstand aldaar. Een politieke actie voorkwam, dat Assen buurgemeente van Groningen werd. Assen vervult binnen Drenthe een centrumfunctie op tal van gebieden: bestuur, rechtspraak, industrie (hoofdkantoor NAM), markten, handel, winkelapparaat, onderwijs, psychiatrische gezondheidszorg en verpleging (ziekenhuis, zorgcentra). Ontbrekende schakels in Assen als verzorgingscentrum worden opgevangen door de stad Groningen, 28 km noordelijker ervan gelegen, als de grootste stad van Noord-Nederland. Planologisch werken de gemeenten Groningen en Assen samen in de Regiovisie Groningen-Assen 2030; ook tussenliggende en omringende gemeenten zijn hierbij betrokken. In groter verband wordt samengewerkt met Drachten in de zgn. DAG-driehoek (Drachten-Assen-Groningen).

De gemeente Assen beslaat 4579 ha cultuurgrond (2000), waarvan 2352 bouwland, 2037 weiland, 14 tuinbouwgrond, 132 braakland en 44 houtbestand. Het aantal bedrijfsvestigingen bedraagt 2352 (2000), waarvan 134 landbouw, 127 industrie, 128 bouw, 728 handel, 112 horeca, 68 transport, 548 zakelijke diensten en 507 overige diensten. Er zijn 22 basisscholen, 6 scholen voor speciaal onderwijs en 4 voor algemeen voortgezet en voorbereidend beroepsonderwijs, 2 bibliotheken, een muziekschool (ICO), een provinciale omroep (RTV Drenthe), een lokale omroep en 6 musea: Drents Museum, Draaiorgelmuseum, Stoottroepenmuseum, Verzetspand, Museum APZ-Drenthe en het automuseum annex -als attractie- het Nationaal Verkeerspark. Jaarlijks worden op de laatste zaterdag van juni de TT-races gehouden, op de vrijdag voorafgegaan door de zgn. 'Nacht van Assen'. In juli volgt elk jaar de Drentse Fiets4daagse met o.a. Assen als één der startplaatsen. De samenstelling van de gemeenteraad (31 zetels) na de verkiezingen van 2006 is als volgt: PvdA 11 zetels (32,4%), Plop 4 (13%), CDA 4 (12 %), VVD 4 (11,5%), ChristenUnie 4 (12,5 %), Groen Links 2 (5,9%); SP 3 (9%), D66 1 (3%).

In 2010 werd de verdeling: PvdA 8 zetels (22,8%), Plop 4 (12,4%), ChristenUnie 4 (12,4%), CDA 4 (12,8%), VVD 5 (13,9%), SP,2 (6,4%), GroenLinks 2 (7,1%), D66 4 (10,3). 

3. Stad in de gemeente Assen, hoofdstad van deze gemeente (met stadhuis) en van de provincie Drenthe (met provinciehuis); 57078 inwoners en 24.444 woningen (2000).

Bronnen vermelden: Hassen, (1230-38), de Ascen, Assen (1267-68), Assen (1276), Azcen (1294). De plaatsnaam kan zijn afgeleid van: a) de persoonsnaam Aske, Asko, Asso, Asse, Assen, Hasse, b) asna, esna, asnen = pacht, loon (aan de bisschop van Utrecht), c) adesa, aetsa = bijl, houthakker, d) essen, d.w.z. de boomsoort in meervoud en e) essen, de bouwgronden, waarop het klooster Mariënkamp is gebouwd.

Kerkgeschiedenis 

Assen kent nauwelijks een middeleeuws verleden. In de 13e eeuw bestond de nederzetting, gelegen in de marke van Witten in het kerspel Rolde, uit twee hoeven. In 1257-1260 werd op de plaats van het huidige Drents Museum en Drents Archief het cisterciënzer vrouwenklooster Mariënkamp gevestigd. De Brink was destijds de voorhof van het klooster en kloosterterrein en werd omgrensd door grachten en een waterloop. Van singels en loop wordt de ligging nog aangeduid door de straatnamen Zuider-, Ooster- en Noordersingel, Gedempte Singel en Weiersloop. Kort na de Reformatie werd het klooster opgeheven en de goederen geseculariseerd; de rechten van de abdij gingen over op de Landschap en werden voortaan uitgeoefend door het College van Drost en Gedeputeerden, Drenthe's nieuw bestuursorgaan. De bewoonsters van het klooster kregen alimentatie. In 1604 werd door de landsdag bepaald, dat er geen nieuwe uitkeringen meer uit het Asser bezit mochten worden toegekend. Gelden van het Asser convent werden nadien aangewend voor de universitaire studie van predikantenzonen, ter aanvulling van predikantstraktementen, en voor steun aan kerkbouw. De kloostergebouwen bleven in stand; het College nam in 1600 zijn intrek in een deel van het complex, dat de kiem legde voor Assen als hoofdplaats van Drenthe. In 1603 reeds werd Assen tot zetel van het landschapsbestuur en hoofdplaats van Drenthe verheven. De gebouwen boden steeds meer onderdak als gewestelijk bestuurscentrum en deden - met een nieuwe inrichting - dienst tot 1848. Lange tijd bleef de omvang van de nederzetting echter beperkt tot het oorspronkelijke kloosterterrein; in 1655 kwam de (huidige) Marktstraat er als weg bij.

Vanaf 1602 kwam in het voormalige klooster te Assen regelmatig de Drentse Synode bijeen. Vanaf 1610 werd deze bijeenkomst voortaan te Assen in het 'collegium' gehouden i.p.v. in allerlei herbergen elders. De bevolking rondom het voormalige kloostercomplex was zodanig gegroeid, dat de Landschap in 1615 besloot, dat Assen een eigen predikant kon krijgen. Tussen 1621 en 1629 was de toestand voor de predikant, Rusius, en de schoolmeester door de hervatting van de Tachtigjarige Oorlog te gevaarlijk, maar daarna herstelde zich de toestand en kon Assen een vaste predikant en schoolmeester onderhouden. Het College van Drost en Gedeputeerden had o.a. het collatierecht over de nieuwe stichting Assen; na 1815 werd dit recht koninklijk. In 1750 kende Assen één joods gezin en in 1774 twee, waardoor men een kleine joodse begraafplaats verwierf. In 1850 bedroeg het aantal joden 250 (5% van de totale bevolking) en in 1930 407. In 1832 werd in de stad een synagoge gesticht.

Ds. G. Benthem Reddingius kreeg in 1835 gedaan, dat een tweede predikant van gelijke ontwikkeling en gezindheid werd beroepen. De afgescheiden predikant Hendrik de Cock uit Ulrum vestigde zich in 1835 te Assen en stichtte er een Afgescheiden Gemeente (zie: Afscheiding).

De rooms-katholieke parochie werd opgericht als statie in 1833, vooral ten behoeve van de katholieke veenarbeiders. Ook speelde een rol dat er een groot gebrek was aan ambachtslieden en werkvolk. Dit zou kunnen worden verholpen door de katholieken een kerk aan te bieden. Aanleiding was ook dat de Gouverneur Van Ewijck een dienstmeisje had, dat alleen naar Assen wilde komen als er een katholieke kerk zou zijn. Bij de eerste mis waren 15 gelovigen aanwezig. Eerste pastoor was Henricus van Kessel. Men maakte gebruik van een woning aan de Zuidersingel, die dienst deed als kerk en pastorie. Na veel toezeggingen en obstructie van de gemeenteraad, waarbij van Kessel de indruk kreeg dat men de katholieken liever kwijt dan rijk was, werd in 1837 de eerste steen gelegd voor een nieuw kerkje aan de Vaart.

In 1848 verrees in de stad naast de Abdijkerk een tweede hervormde kerk, de Jozefkerk. Na 1892 kregen de Afgescheidenen en Dolerenden (zie: Doleantie) in deze plaats hun Christelijk Gereformeerde Kerk. Vanaf 1960 groeide het aantal kleinere kerkgenootschappen - baptisten, Apostolischen, Vergadering der Gelovigen, Leger des Heils, Pinksterbeweging, Jehova's Getuigen - maar ook de ontkerkelijking.

Bestuurlijke geschiedenis 

Nadat Assen rond 1600 als bestuurscentrum was aangewezen, werd de plaats gaandeweg aangesloten op het toen bestaande wegennet: Groningen-Anloo-Borger-Coevorden, Groningen-Balloo-Rolde-Coevorden en Groningen-Beilen-Meppel. Op het terrein van het klooster ontstond een dorpje, dat tot 1795 bleef verstoken van het recht om op deze landsdag een stem uit te brengen. Vanaf 1685 echter werden de vergaderingen van Ridderschap en Eigenerfden, beschreven door Drost en Gedeputeerden, alle gehouden te Assen. Na 1688 werden hier ook de lottingen belegd. De secretaris - griffier van het College, zegelbewaarder van de Landschap en altijd een jurist - werd verplicht in Assen te gaan wonen vanwege zijn vele centrale werkzaamheden. Een andere belangrijke ambtenaar, de ontvanger-generaal, beschikte over het Ontvangershuis.

In de tweede helft van de 18e eeuw werd Assen steeds meer het bestuurlijk middelpunt van Drenthe. Hier vestigde zich de elite; voor de gedeputeerden werd dit zelfs een reglementaire verplichting. De bevolking nam er toe van ca. 300 rond 1700 tot 400 omstreeks 1750 en 600 in ca. 1790. Door het landschapsbestuur werd de plaats in deze periode uitgebouwd en verfraaid, zowel uit status- als maatschappelijke overwegingen. Zo was er de aanleg van het Asserbos (1765-1784), de verlenging van de Drentsche Hoofdvaart (vanaf 1770) en de bouw van het Drostenhuis (1774-1778). Bestond de bebouwing omstreeks 1700 uit een aantal losse huizen rond de tegenwoordige Brink, Kloosterstraat en Marktstraat (bewoond door overheidsdienaren) en de Kruisstraat (met neringdoenden aan beide zijden van die weg), nadien bouwde het gewestelijk bestuur de nederzetting uit langs de zuidzijde van de Vaart en om de Markt naast de draaikolk (De Kolk; oosteinde van de Vaart).

De bestuursgeslachten Hofstede, Van Lier en Van der Feltz woonden in die tijd buiten de eigenlijke kern. Ontvanger-generaal J. van Lier liet in 1777-78 buiten de Oostersingel huis en landgoed Overcingel bouwen. De familie Van der Feltz woonde op de havezate Vredeveld aan de oostzijde van Assen. Naderhand werd het gebied tussen Hoofdlaan en Vaart volgebouwd. Tijdens het landdrostschap (gouverneurschap) van Petrus Hofstede bezocht in maart 1809 koning Lodewijk Napoleon Assen; de plaats werd op 13 maart 1809 tot stad gepromoveerd, in de nog jonge zelfstandige en gelijknamige gemeente (1807). Het Asserbos werd bij die gelegenheid aan de nieuwe stad geschonken. Voorts werd 20.000 gulden ter beschikking gesteld voor de bouw van woningen; de betreffende straat heet nog steeds Nieuwe Huizen. Dankzij de inspanningen van Hofstede bij Lodewijk Napoleon werd predikant G. Benthem Reddingius nog in 1809 in zijn ambt bevestigd en werden een jaar later door het toekennen van landstoelagen een arts en een apotheker aangesteld. Nadien gaf de koning aan de architect Giudici opdracht om een plan te ontwerpen voor een nieuw Assen met 6000 inwoners. Belangrijke elementen hierin zouden moeten zijn: de Brink als centrale plaats met hierop een standbeeld van de koning en eraan twee kerken, een concertzaal annex sociëteit en een veterinaire school met een opleidingsinstituut voor chirurgijns en vroedvrouwen. De Kolk aan het oosteinde van de Vaart zou worden verbreed tot een haven en aansluiting verkrijgen op een kanaal naar Groningen. Aan de Zuidersingel werden een koninklijke kweekschool voor 1000 leerlingen en kleinere instituten voor jongeheren en -dames gepland, bij de Witterbrug aan de zuidzijde van de Drentsche Hoofdvaart een jachthuis ter ere van de koning. Van al deze plannen is niet zo veel tot stand gekomen; alleen de doorbraak van de Brink richting Asserbos werd in 1809 gerealiseerd door de aanleg van de Torenlaan.

Scholen en schouwburg verrezen 10 tot 20 jaar nadien en het kanaal naar Groningen werd pas een halve eeuw later uitgevoerd. Toen in 1814 onder koning Willem I het Koninkrijk der Nederlanden werd uitgeroepen, werd Drenthe een provincie met Assen als hoofdstad. In bestuurlijke zin zou Assen uitgroeien tot het Drentse 's-Gravenhage, wat de stad de bijnaam 'het Drentse Haagje' bezorgde. In 1829 kenschetste de politicus G.K. van Hogendorp de plaats vanwege haar aantrekkelijkheid voor tal van notabelen, die er in prachtige panden gingen wonen, als 'de kleine stad van paleizen'.

Sociaal-economische geschiedenis 

Tot de grootschalige ontginningen behoorden in de 18e eeuw de gebieden ten westen en zuidwesten van Assen, mede door de aanleg van de Drentsche Hoofdvaart (1770-1854). Onder de kleine ontginners bevonden zich in de periode 1840-1850 o.a. burgemeester H.J. Oosting en H.J. Nassau, rector van de Latijnse school. Telde de kersverse stad in 1809 766 inwoners, in 1850 was dit aantal gestegen tot 4356. In 1820 werd door toedoen van gouverneur Hofstede en o.l.v. Nassau een Franse school voor jongens gesticht als voorloper van de Hogere Burgerschool (hbs). Op aandringen van beide heren werd deze school gecombineerd met een Latijnse school tot gymnasium.

In 1822 gaf Hofstede ook de stoot tot stichting van een instituut voor 'jonge juffrouwen', een oudheidkundig genootschap (Genootschap tot bevordering en opheldering van de geschiedenis en oudheden van Drenthe) en een provinciale drukkerij (Van Gorcum). In 1830 verkreeg de stad een schouwburg (Erkelens), die in de loop der tijd in toenemende mate reizende gezelschappen trok. Tien jaar later verrees aan de Brink het Paleis van Justitie (1840).

Assen werd steeds meer in het Drentse wegennet opgenomen door de aanleg van de wegen Assen-Vries-De Punt (1825; verlengd tot Zuidlaren ca. 1850), Assen-Dieverbrug-Meppel (1839) en Assen-Bareveld (1848), in het waterwegennet door de voltooiing van de Drentsche Hoofdvaart (1770-1854) en de aanleg van het Noord-Willemskanaal (1860). In 1870 kwam de spoorweg Groningen-Meppel-Zwolle tot stand. Stimulansen voor de groei van Assen na 1850 waren de aanleg van het Noord-Willemskanaal (1860-61), de spoorlijn Groningen-Meppel-Zwolle (1870) en de bouw van drie kazernes: Wilhel-minakazerne (1894), Emmakazerne (1895) en Hendrikkazerne (1904). Vooral de aanwezigheid van heidevelden in de omgeving zoals het Witterveld waren aantrekkelijke oefenterreinen.

In de 19e en 20e eeuw ontstond aan beide zijden van de Vaart een front van herenhuizen, pakhuizen en bedrijfsgebouwen. De meeste panden waren van het zgn. Asser type: slechts één woonlaag met een verhoogde middenpartij. Langs de rand van het Asserbos ontwikkelde zich een reeks van riante ambtenarenpanden. In 1875 werd een deel van het bos omgevormd tot villawijk; hiertoe behoren de woningen van het Van der Feltzpark. De uitbreiding van de stad schreed voort langs de Drentsche Hoofdvaart en de bestaande wegen. In de periode 1850-1900 groeide de bevolking van 4356 naar 11327 zielen. De uitbreidingen vonden in die periode vooral plaats naar het oosten.

Naast riante wijken kende de stad ook arbeidersbuurten: Lange Jammer (Sluisstraat) en Lombok (ten oosten van de spoorlijn). In 1880 verkreeg Assen een Kamer van Koophandel en Fabrieken. De dienstensector, ook in Assen geconcentreerd (provinciaal bestuur), ontwikkelde zich aanvankelijk matig. In 1850 telde de stad 31 artsen, voorts ca. 50 apothekers, heel- en vroedmeesters en vroedvrouwen. De rechterlijke macht was ook in de provinciale hoofdstad gecentraliseerd: provinciaal gerechtshof (opgeheven in 1875), arrondissementsrechtbank, kantongerecht. Mede door de aanwezigheid van de bestuurlijke en gerechtelijke apparaten stevende Assen in de tweede helft van de 19e eeuw Meppel voorbij als intellectueel centrum.

Op het gebied van het onderwijs was dr. Hendrik Jan Nassau de stuwende kracht. Naast het gymnasium kwam een hbs met 3-jarige cursus (1868) en met 5-jarige cursus (1877) tot stand. Het Provinciaal Museum van Oudheden, sinds 1854 ondergebracht in een kamer van het provinciehuis, verhuisde in 1888 naar een eigen gebouw.

Op politiek terrein kende Assen twee kiesverenigingen: de Algemeene Kiesvereniging voor de toplaag van de bevolking (met de Asser sociëteit als centrum) en de Burgerkiesvereniging voor de middenstanders en lagere ambtenaren. Bij de gemeenteraadsverkiezingen telde Assen van de 11 raadsleden er 7 als ambtenaar of met een vrij beroep, toen nog een unicum in Drenthe. Ook de welvarendste Drenten kon men het eerst in Assen tegenkomen: 15 van de 39 in 1884, 26 van de 87 in 1896.

In de periode 1900-1950 verdubbelde het inwonertal tot ca. 23.000. In deze tijd verrezen het Wilhelminaziekenhuis (1910), de Openbare Leeszaal (1918) en het psychiatrisch ziekenhuis Licht en Kracht (1935). Nieuwbouw vond plaats langs Beilerstraat, Torenlaan en Stationsstraat; bij het station ontstond de wijk Assen-Zuid. Sociale woningbouw vond plaats aan de oostkant van de spoorlijn: Rode Dorp (1916), Blauwe Dorp (1920) en Witte Dorp (1921). Langs het Havenkanaal, een aftakking van het Noord-Willemskanaal, en de spoorlijn verrees industrie.

Assen ging een belangrijke plaats innemen in de zuivelindustrie. In 1902 werd een Centrale Knederij opgericht (in 1908 weer opgeheven). Voorts kwam er het Boter Controlestation. Grote bekendheid kreeg de stad echter door de Asser Coöperatieve Melkinrichting en Melkproductenfabriek ACMESA, die lang naast veel grotere fabrieken zoals de DOMO te Beilen haar zelfstandigheid behield. In de vleesindustrie ging het voortvarend. In 1887 werd de exportslagerij Thompson & Co opgericht. Men slachtte hier in dat jaar 35.000 varkens, in 1904 50.000. Door een Engels invoerverbod echter namen boeren gezamenlijk de baconbereiding en -export ter hand. In 1928 werd dientengevolge de NV Drentsche Exportslachterij opgericht in de gebouwen van de gebroeders Thompson. Twee jaar later ging men over tot de invoer van Deense fokvarkens om de bacon te verbeteren.

In de jaren '20 en '30 van de 20e eeuw kreeg Assen steeds meer de functie van regionaal centrum, o.a. door de bestuurlijke, medische, culturele, sociale en onderwijsinstellingen en het winkelapparaat. De industrie groeide sterk en droeg bij aan de provinciale groei van 6000 arbeidsplaatsen in 1945 tot 20.000 in 1960.

Geografie, planologie, economie na 1945 

Na WO II bleef Assen zich ontwikkelen. De stad telde in 1945 21.800 inwoners, groeide verder oost-, noord- en westwaarts uit en verstevigde haar centrumfunctie. In het zuiden verhinderden het Asserbos en een cluster van psychiatrische instellingen en verpleegcentra hier de bouw van nieuwe woonwijken. Het arsenaal aan instellingen op medische en verplegende grondslag werd verder uitgebreid. Momenteel bevinden zich hier o.m. het verzorgingstehuis De Boshof, het psychiatrisch centrum Port Natal, Tripolis (GGZ Drenthe) en het psychogeriatrisch verpleegtehuis Nieuw Graswijk, alle in de wijk Zuiderpark, en het psychiatrisch centrum Licht en Kracht, het psychogeriatrisch verpleegtehuis De Vierackers en het centrum voor verstandelijk gehandicapten Hendrik van Boeijenoord ten oosten van de spoorlijn Groningen-Zwolle.

Na 1970 ontstonden in het oosten Vreebergen en Amelterhout bij het Amelterbosch (75 ha), in het noorden Noorderpark, Peelo, Pittelo en Peelerpark (industrie) en in het westen Baggelhuizen, De Lariks en Westerpark. De jongste stadsuitbreiding (sinds 1990) betreft Marsdijk in het noorden en Kloosterveen in het westen De buurtschap Peelo is op een tiental panden na verdwenen en Kloosterveen zal opgaan in de nieuwe wijk ten noorden ervan.

De verkeersinfrastructuur werd verbeterd door de rijkswegen om de stad te leiden en door de aanleg van de Europaweg, een onvoltooide ringweg, omdat het zuidoostelijke stuk ontbreekt. Tussen Industrieweg (westen) en spoorlijn (zuidoosten) en aan weerszijden van de Europaweg-Noord werd het bestaande industrieterrein verder uitgebouwd met o.a. hobbymarkten, warenhuizen en grootwinkel- en automobielbedrijven; ook uitgeverij en drukkerij Van Gorcum vond hier een plaats. Vooroorlogse woonwijken zijn gesloopt, oude panden eveneens en waterlopen zijn gedempt. Tussen Noord-Willlemskanaal en Gedempte Singel verdween in de laatste decennia vrijwel alle bebouwing en kwam nieuwbouw, waaronder een groot nieuw winkelcentrum aan Koopmansplein en Mercuriusplein.

Het Wilhelminaziekenhuis verdween uit het centrum en verkreeg verder zuidwaarts nieuwbouw op het terrein van het voormalige landgoed Port Natal. Op het oude terrein ontstond de seniorenwijk Zuidhaege. Desondanks is de rest van de oude binnenstad goed bewaard gebleven en in 1974 tot beschermd stadsgezicht verklaard. Aan de zuidkant van de stad verschenen langs de Europaweg-Zuid o.a. het nieuwe Provinciehuis (Westerbrink), het evenementencentrum De Smelt (eerder Thrianta geheten), inclusief sportcomplex met ijsstadion (vroeger Drenthe genaamd), het crematorium De Boskamp met urnenvelden en begraafplaats, de Israëlitische Begraafplaats, het hoofdkantoor van de NAM met het Geologisch Laboratorium, het Rijkskantorencentrum Mandemaat met o.a. het Bureau Heffingen ('mestbank') van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Visserij, het gebouw der Rijksbelastingen en enkele politiebureaus. Tussen Anreeperdiep, Graswijk (straat), A28 en spoorlijn is het nieuwste industrieterrein aangelegd: Korenmaat.

Aan de oostkant van Assen is tussen Europaweg-Oost, Rolderhoofdweg en Loonerstraat de nieuwe woonwijk Houtlaan gerealiseerd. Assen, als hoofdplaats van Drenthe, is zetel van overheids-, semi-overheids- en non-profit instellingen (w.o. Drents Plateau en Bond Heemschut in Drenthe), als verzorgingscentrum voor de wijde omgeving met een omvangrijk winkelapparaat, als distributiecentrum voor groothandelsbedrijven en als middelpunt van psychiatrische gezondheidszorg. De stad bezit geen grote industrieën, wel middelgrote en kleine(re) met productie van vlees, zuivel, conserven, (regen)kleding, hout- en timmerwaren, metaal, en machines. Verder heeft de stad grafische industrie (waaronder Koninklijke Van Gorcum) en het hoofdkantoor van de NAM. Assen heeft een veelvoud aan musea: het Drents Museum, met o.a. een omvangrijke archeologische collectie maar ook klederkrachten, volkskunst, beeldende kunst en de verzameling van de Stichting Schone Kunsten; het Draaiorgelmuseum bij het Asserbos; het Stoottroepenmuseum in de Johan Willem Frisokazerne aan de Balkenweg beeldt de geschiedenis van het regiment uit d.m.v. wapens, uniformen, schilderijen, foto's en films. Regelmatig worden en wisseltentoonstellingen gehouden; in de Kloosterstraat bevindt zich in het Verzetspand een onderduikruimte uit WO II met informatie over de oorlog en het verzet in Noord-Nederland en het Museum van APZ-Drenthe aan de Dennenweg geeft een overzicht van de ontwikkeling van het psychiatrische centra Licht en Kracht en Port Natal.

Architectuur, bezienswaardigheden 

Assen bezit tal van karakteristieke panden en andere bezienswaardigheden. Men kan de volgende groepen onderscheiden.

- Kerken:

De voormalige abdijkerk werd omstreeks 1260 gebouwd op de huidige Brink als onderdeel van het klooster Mariënkamp. Na de opheffing van de abdij in 1600 geraakte zij in verval. In 1661 werd op de fundamenten een nieuwe kerk gebouwd. Deze werd in de 18e eeuw vergroot. In 1848 verhuisde de Hervormde Gemeente naar de Jozefkerk. De kerk was daarna in de periode 1851-1951 in gebruik als gemeentehuis, in 1951-1973 onderdeel van het Provinciehuis (nu Drents Museum) en sindsdien in gebruik bij dit museum. De hervormde Jozefkerk (1846-48) is een zgn. Waterstaatskerk (architect C.J. Spaan). Specifieke elementen eraan zijn: pilasters, zuilen, fronton en toren. In 1910 woedde er een brand; de hoofdingang met toren werd nadien gerestaureerd. Zij bezat eertijds een Van Oeckelen-orgel; dit werd verkocht aan de hervormde gemeente te Havelte. In de Jozefkerk staat sinds 1896 een Van Dam-orgel. De naam Jozefkerk dateert uit 1964; voordien heette zij Grote Kerk.

De rooms-katholieke kerk O.L.V. ten Hemelopneming werd in 1933-34 gebouwd ter vervanging van een ouder gebouw aan de Vaart. De kerk is gebouwd in sobere, traditionalistische vormen naar een ontwerp van J. van Dongen. In de toren hangt de klok (1880) van de oude kerk, gegoten door gebroeders Van Bergen te Heiligerlee. Het interieur bevat een houten kruisigingsgroep (ca. 1520), 18e-eeuwse beelden van Jozef en Maria uit een schuilkerk te Groningen, gebrandschilderde ramen (diverse ontwerpers) en mozaïeken van de veertien kruiswegstaties en de evangelieverkondiging door Bonifatius (1937; J. Colette).

De gereformeerde Zuiderkerk (1923-1925) werd gebouwd naar een ontwerp van J. Smallenbroek en is een kruisvormige kerk met toren in de binnenhoek. De voormalige kapel De Schalm (1913; architect H. Enklaar Hzn.) heeft een achtkantig grondplan en bevat zandstenen ornamenten en geglazuurde bakstenen. De voormalige synagoge (1901) aan de Groningerstraat doet dienst als christelijk gereformeerde kerk. Zij bevat een gevelsteen van een oudere synagoge met het jaartal 5592 (=1832) en een psalmtekst (118:19).

De kerk van de Psychiatrische Inrichting Licht en Kracht is ontworpen door P. de Vrieze naar voorbeelden van Aalto en Le Corbusier. Het gebouw heeft een hartvormig plattegrond en een deels schuin oplopend dak; de rest ervan is horizontaal met in een hoek de toren. Het gebouw van het Leger des Heils (1914-15) aan de Rolderstraat is opgetrokken in Art-nouveau-stijl.

- Bestuurlijke gebouwen:

Het Paleis van Justitie is een neoclassicistisch gerechtsgebouw, gebouwd in 1838-40 naar ontwerp van A. Kommers. Het middendeel van de voorgevel is voorzien van een fronton en vier kolossale (over de volle gevelhoogte) ionische pilasters. Aan de zuidoostzijde werd in 1842-44, eveneens naar ontwerp van Kommers het Huis van Bewaring aangebouwd. Dit bestaat uit een sober vormgegeven neoclassicistisch hoofdgebouw met poort en cipierswoning en daarachter een tweelaagse cellulaire gevangenis. Beide gebouwen zijn in 1954-56 inwendig verbouwd en opnieuw in 1994-95. Aan de achterzijde is toen eveneens een grote uitbreiding in rationalistische stijl gerealiseerd naar ontwerp van architectenbureau Quist Wintermans Architecten B.V. uit Rotterdam.

Het voormalig Provinciehuis staat sedert 1887 op de plaats van de oude kloostergebouwen. Nadat het provinciaal bestuursapparaat in 1973 naar nieuwbouw verhuisde, kwam het gebouw in gebruik bij het Drents Museum. Het gebouw van het Rijksarchief (thans Drents Archief geheten) werd in 1897-1901 na de sloop van een deel van het kloostercomplex gebouwd door rijksbouwmeester C.H. Peters.

Het Drostenhuis is in 1774-78 gebouwd door A.M. Sorg als woonhuis voor de Drost van Drenthe. Daarna was het pand ambtswoning van de Gouverneurs en Commissarissen der Koning(in); als onderdeel van het Drents Museum in 1978-1981 gerestaureerd. Bij het gebouw staat in de Kloosterstraat een 19e-eeuwse muur, opgetrokken van kloostermoppen van de oude abdij, met een pomp uit 1895. Het Ontvangershuis (1693-98), vanaf 1962 onderdeel van het Drents Museum, bevat 15e-eeuwse keldergewelven uit de tijd van het klooster. Het vroegere gebouw op deze plaats, afgebrand bij de binnenstadsbrand van 1676, deed sinds 1631 reeds dienst als woonhuis en kantoor van de ontvanger-generaal, in de periode 1730-1791 als Prinsenhof, logeerplaats voor hoge personen zoals stadhouders en de Prins van Oranje, voorts als logeerplaats van koning Lodewijk Napoleon in 1809.

Bij de bouw zijn kloostermoppen en ander materiaal van het oude gebouw hergebruikt (1692). In 1817-1822 was het particulier bezit. Nadien werd het voor wisselende zaken gebruikt en dikwijls verbouwd. In de jaren '50 van de 20e eeuw werd het gebouw gerestaureerd en teruggebracht in de stijl van ca. 1830. In 1962 werd de erbij behorende tuin hersteld naar een ontwerp G.C. Helbers). Opvallende elementen hierin zijn het toegangshek in Lodewijk XV-stijl, afkomstig uit de Touwstraat in Meppel, de tuinhekken (1756) van Laarwoud te Zuidlaren en een beeld van Venus en Amor (1781) uit Haarlem.

Huize Tetrode (1822) is een voormalige notariswoning, tot 1930 eigendom van de familie Tetrode. Vele van de bovengenoemde gebouwen staan aan of bij de Brink, het hart van de stad. Deze voormalige voortuin van het kloostercomplex werd in 1844 door tuinarchitect L.P. Roodbaard veranderd in een wandelpark. Opvallend zijn de monumentale bomen.

- Militaire bouwwerken:

De Wilhelmina-, Emma- en Hendrik-kazerne (1893, 1894 en 1904; neorenaissance) liggen evenwijdig aan de Vaart. Specifieke elementen: decoraties, hoektorentjes, borstwering met rondboogfries, versierde topgevels en wapen van Nederland. De officierswoningen, in één blok verenigd aan de Hertenkamp, zijn gebouwd in 1845, ook in neorenaissancestijl, met speklagen, pleisterwerk en baksteenmozaïeken. In het Amelterbosch aan de oostzijde van Assen ligt een vierkante redoute, het zgn. Poepenhemeltje, opgeworpen in 1672 door de bisschop van Munster, Bernhard van Galen.

- Scholen:

De oude Rijks hbs (1867, Beilerstraat) is opgetrokken in eclectische stijl met classicistische elementen. Opvallend is de brede door lisenen ingedeelde voorgevel. De ernaast gelegen conciërgewoning dateert uit 1911. De Emmaschool (1928; Prinses Irenelaan) is in de stijl van de Amsterdamsche School ontworpen door J. Jansen van Galen, directeur Gemeentewerken. Het voormalige gymnasium aan de Nassaulaan is een wit gepleisterd gebouw uit 1824.

- PTT- en NS-panden:

Het voormalige post- en telegraafkantoor aan de Zuidersingel (1895) is een ontwerp van rijksbouwmeester C.H. Peters. Het voormalige post- en telegraafkantoor aan de Brink (1874) is gebouwd in een aan de neogotiek verwante stijl. Het stationsgebouw is in de jaren '80 van de vorige eeuw geheel vernieuwd; alleen de perronoverkapping met houten luifels is gebleven.

- Overige gebouwen.

Het Graanpakhuis (1915-16; ontwerp Y.D. Havermans) was in gebruik als pakhuis, machinekamer, stal en wagenberging en is het hoogste pand (18,4 m) aan de Vaart. Hier staat ook het Veerhuis (ca. 1875), dat dienst heeft gedaan als veerhuis en café. Het Wapen van Drenthe (1905) valt te bewonderen in een voorgevel vooraan de Vaart. Reeds in 1780 was hier logement Het Wapen van Drenthe; het deed dienst als horecapand tot 1973. Hotel De Jonge aan de Brinkstraat bevat een wandschildering en schilderijen van Matthijs Röling. Fraaie winkelpanden staan aan de Gedempte Singel (19e eeuw; neorenaissance), Kerkstraat (1905; art-nouveau) en Stationsstraat ( idem).

 - Beelden:

Het beeld van Bartje (1954) stond oorspronkelijk op de Brink, thans aan de Oostersingel. Het kalkstenen beeldje, gemaakt door S. Boschma-Berkhout, was in zijn vijftjarig bestaan regelmatig het doelwit van ludieke en andere acties en raakte vaak beschadigd of beklad. Op de Brink staat het bevrijdingsmonument (1951), een knielende vrouw met toorts, in brons vervaardigd door W.J. Valk; het 'zusterbeeld' staat op de oude begraafplaats te Eelde. Ook op de Brink staat 'De Kuiper' (1984; O. de Ruyter) ter herinnering aan het ambacht van kuiper of vatenmaker. De 'Marskramer' op de Gedempte Singel in het Asser winkelcentrum (1983; Pieter d'Hont) beeldt de marskramer of kiepkeerl uit, met een mand vol allerlei koopwaar op de rug. De 'Museumbezoekers' (1985; B. Kiewiet) bestaat uit drie kijkende figuren, aan het Jacob Cramerplein bij het Drostenhuis.

- Landgoederen, tuinen, begraafplaatsen:

Landgoed Overcingel is een oorspronkelijk geometrisch aangelegde tuin rondom het gelijknamig pand van de familie Van Lier. In 1823 werd het uitgebreid met een gedeelte in landschapsstijl met vijver en slingerpaden en omstreeks 1860 met een heuvel. Specifieke elementen zijn: een tuinkoepel op de heuvel met bronzen borstbeeld van Hendrik van Lier (vervaardigd door beeldhouwster Joh. Smit), een spiegelbol (waarin een deel van de tuin wordt weerspiegeld), een tulpenboom en een sneeuwklokjesboom. De tuin is tegen betaling opengesteld voor het publiek.

De Gouverneurstuin in het centrum (tussen Zuidersingel en Torenlaan) deed in de 19e eeuw dienst als appelhof en groentetuin voor de Gouverneur. In de graankelder werden 's winters naast graan fruit en groenten opgeslagen. 's Zomers wordt jaarlijks in de tuin een beeldenexpositie gehouden.

Aan de noordkant van het Asserbos ligt aan de Vaart de Noorderbegraafplaats (1823), beplant met eiken, berken , essen en rododendrons. Opvallend zijn de gietijzeren graftekens (ca. 1880; neogotiek) van de families Van Brumsteede (een altaarvormige constructie met vier zuilen, tentdak en achtzijdige spitsen) en Van Bulderen (giet- en smeedijzeren hekwerk op gepleisterde onderbouw), evenals het toegangshek van het kerkhof, vervaardigd door de Asser IJzergieterij. Ook veel kleinere graven alhier zijn omgeven door hekwerken. Verder is te noemen het graf van gouverneur Petrus Hofstede (1839) en diens echtgenote Suzanna Christina Kymmell, met rijke grafsymboliek.

De Zuiderbegraafplaats in de zuidoosthoek van het bos aan de Beilerstraat is in 1892 aangelegd in Engelse landschapsstijl door J. Vroom uit Glimmen. Zij werd uitgebreid in 1925 en 1938, de laatste maal naar een ontwerp van J. Verdenius. Het meest opvallend grafmonument is dat van de Haagse arts Jan Koetsier (1887-1943) in de stijl van de Nieuwe Haagse School, vervaardigd door architect C. Brandes. Schimpnamen voor de inwoners: Straotsliepers (leeglopers), Tellerlikkers (eten uit aardewerken borden) en Biggies, Biggen (kwajongens, rekruten). [Schaafsma]

Literatuur

  • Gras, Geschiedenis Assen
  • J.T. Battjes en J.B.T. Kruiger, Assen, architectuur en stedenbouw 1850-1940 (Zwolle 1996)
  • J.E. Ennik, De nederzetting Assen
  • Ontwikkeling tot 1700 (Assen 1984)
  • B. Boivin, Assen tussen droom en vrees
  • 20 jaar veranderingen in de Asser binnenstad (Assen 1979).

Websites