Begrip

Armenzorg

reageer

Uw reactie

Wij zijn altijd opzoek naar reacties om de kennisbank van Drenthe uit te breiden. Wanneer u een correctie wilt doorgeven of een lemma wilt aanleveren voor de Drentse encyclopedie dan kunt u onderstaand formulier gebruiken. Ontroerende anekdotes bij een lemma of anderszins bijzondere verhalen worden niet als zodanig opgenomen in de encyclopedie. Deze reacties zullen derhalve niet in behandeling worden genomen.

E. de Leeuw
De Mallegatsgracht eind negentiende eeuw te Meppel. Op de achtergrond het Armhuis van de Nederlands hervormde Diaconie, destijds als kazerne gebouwd. - Bron: Drents Archief

Hulp aan hen die niet zelf in hun materiële behoeften kunnen voorzien. Zij geschiedt vanwege kerkelijke instellingen, door particulieren of door de overheid, en wordt bij wijze van gunst verstrekt.

Ouderdom, ziekte, een handicap, epidemieën, slechte oogsten en strenge winters waren factoren die konden leiden tot een zekere graad van armoede. In de katholieke periode (vóór 1598) bestond hulp door dorpsgenoten aan armen voornamelijk uit informele zorg op niveau van het kerspel. Dit was bekend onder de naam 'bedevaren'. Het bedevaren behelste van oorsprong allerlei uiteenlopende werkzaamheden, vooral in de landbouw, die zonder vergoeding en louter voor armen werden verricht, met name op kerkelijke feestdagen en zondagen. Bedevaren trof men nog in de eerste decennia van de 20e eeuw hier en daar aan in Drenthe. In twee plaatsen fungeerde een geestelijke instelling als helpende instantie voor plaatselijke armen; het Sint Anthoniusgilde te Dwingeloo en het Heilig Geest Gasthuis te Coevorden.

De armenzorg tijdens de Republiek kwam voor rekening van de diaconieën van de Hervormde Gemeenten. Diaconale zorg was lokaal georganiseerd en had een heterogeen karakter. Geheel in lijn met de gewestelijke zelfstandigheid ontbrak een centrale, landelijke wetgeving en konden normen om tot bedeling over te gaan van plaats tot plaats verschillen. De Landschapsoverheid had in de armenzorg een overwegend regulerende functie. Dit droeg bij tot het vormen van een kader waarbinnen kerspelen en diaconieën verder tot op grote hoogte vrijgelaten werden in de uitoefening van hun taak. Al in 1613 legde de Landschapsregering alle verantwoordelijkheid voor de zorg voor de armen bij de kerspelen. Wanneer kerspelen niet in staat waren hun armen te onderhouden mochten zij zich met een verzoek om subsidie richten tot de landschapsregering.

Binnen het kerspel was de zorg voor de armen opgedragen aan de diaconie. De diaconie van de Hervormde Kerk vormde het instrument van het kerspel c.q. dorpsgemeenschap ter leniging van de nood van de arme mededorpsgenoten. Activiteiten die daarnaast door de dorpsgenoten werden ontplooid hadden een aanvullend, ondersteunend karakter. Het Sint Anthoniusgilde te Dwingelo en het Gasthuisfonds te Coevorden deelden alleen gaven uit aan behoeftigen die niet door de diaconie werden onderhouden. Een kas ad pios usus - oftewel de kas voor vrome doeleinden - te Smilde, opgericht in 1771, en een soortgelijke kas te Hoogeveen, opgericht in 1631, hadden een aanvullend karakter in letterlijke zin. Zo nu en dan kregen de plaatselijke diaconieën hieruit enige subsidies.

Bedeeld werden alleen de armen uit het eigen kerspel. Personen die van elders het kerspel waren binnengekomen en na verloop van tijd verarmden, werden verwezen naar het dorp van herkomst en de diaconie aldaar. Op haar beurt kon die diaconie weigeren de persoon in kwestie te bedelen, aangezien deze immers verhuisd was naar een ander kerspel. Om aan dit geschil een eind te maken stelde de Landschapsoverheid gedurende de 17e en 18e eeuw een aantal voorwaarden op. Een verhuurder die mensen het kerspel binnenhaalde moest voor zes jaar voor hun onderhoud borg staan. In 1775 werden de akten van indemniteit verplicht gesteld; een bedrag van 300 gulden per gezin en de helft voor één persoon moest aan de plaatselijke diaconie als borg worden betaald.

De eerste Nederlandse armenwet (1818) op het gebied van de armenzorg probeerde het probleem van het domicilie van onderstand (plaats van herkomst) te regelen. De akten van indemniteit werden hierbij afgeschaft. Daarvoor in de plaats kwamen regels die vaststelden welke plaats zou fungeren als domicilie van onderstand. Pas in 1870 kwam er definitieve bepaling dat een arme moest vragen om bedeling in de plaats waar hij zich op dat moment bevond. In 1834 kwam het provinciale 'Reglement op de invoering van Burgerlijke Armbesturen in de provincie Drenthe' tot stand. Hierin werd bepaald dat diaconieën van de verschillende gezindten, hiervan is vóór 1800 geen sprake, ter dekking van een eventueel tekort een subsidie mogen vragen uit de burgerlijke gemeentekas.

De hulp aan behoeftige joden kwam, evenals andersgezinde armen, voor rekening van de diaconie van de Hervormde Kerk. Door het kleine aantal anders denkenden waren andere instellingen dan de diaconieën van de Hervormde gemeenten in Drenthe overbodig. In 1809 behoorde slechts 1,67% van de bevolking, buiten de steden en het hoogveengebied, tot de joodse minderheid. Beperkende maatregelen voor het vestigen van joden in de kerspelen kwam voort uit de vrees dat een toenemend aantal joden tot armoe zou vervallen en tot last zou komen van de diverse diaconieën. Georganiseerde joodse armenzorg kwam in de eerste helft van de 19e eeuw op gang.

Behalve het Sint Anthoniusgilde te Dwingeloo kende Drenthe tot begin 19e eeuw geen particuliere armenzorg. In 1818 werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht, met het doel om armen en asocialen uit heel Nederland tot een nieuw zelfstandig bestaan op te voeden. Op de niet gecultiveerde gronden in de gemeente Vledder richtte men daartoe landbouwkoloniën op, het huidige Frederiksoord. Uit betalende leden van de Maatschappij werden zogenaamde subcommissies gevormd die potentiële kolonistengezinnen selecteerden. Voor personen die niet meer waren op te leiden tot een zelfstandig bestaan, maar ook bedelaars en vagebonden werd het gesticht Veenhuizen te Norg opgericht. Ook weeskinderen en vondelingen kregen hier een, apart, onderkomen. De nieuwe armenwet van 1912 voorzag een grotere rol voor de overheid, de gemeenten. De voorrang van kerkelijke en particuliere instellingen bleef gehandhaafd. De Algemene Bijstandswet van 13 juni 1963 regelt sindsdien de rechtsplicht van de overheid tot financiële bijstand aan haar onderdanen. De bijstand strekt tot voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De uitvoering van de wet berust bij de gemeenten. 

Literatuur